Hans van Heesch: “De karakters schrijven de tekst als het ware zelf”
Hans van Heesch (72) begon op zijn 55e met het schrijven van romans. Sindsdien publiceerde hij zeven boeken. Zijn inspiratie haalt hij uit zijn zeiltochten. In dit interview vertelt hij over zijn schrijfproces, de kunst van het combineren van geschiedenis met fictie, en waarom het nooit te laat is om te beginnen.
Je bent op latere leeftijd begonnen met schrijven. Wat zorgde ervoor dat je dacht: nu ga ik een boek schrijven?
Al lang geleden dacht ik dat ik mijn passie voor zeezeilen zou kunnen overbrengen via bijvoorbeeld non-fictie-boeken over scheepstechniek, zeevaartkunde of reisverhalen. Dat is er behoudens enkele gepubliceerde reisverslagen nooit van gekomen.
Als ik rond 1994 de emotie van een vierdaagse oversteek naar de Schotland beleef, met allerlei dagdromen en nachtelijke mijmeringen over indrukken die ik onderweg opdeed, ontstaat het idee om dat in een roman te verwerken.
Uiteindelijk duurt het nog twaalf jaar en tochten naar de Shetland-eilanden en Noorwegen voor ik de moed vind om aan mijn eerste boek te beginnen. Dat wordt de avontuurlijke reisroman Het Veenbrandscenario, die in 2008 uitkomt. Ik ben dan 55 jaar oud.
Je zeiltochten leveren duidelijk de inspiratie voor je boeken. Hoe werkt dat? Ga je op reis met een verhaal in je hoofd, of ontstaat het onderweg?
Het zijn de indrukken die ik onderweg opdoe en die me emotioneren en aan het denken zetten. Ik combineer die indrukken vaak met andere ervaringen. Zo hoor ik op Alderney het verhaal van de Duitse bezetter die daar bezig is geweest met de aanleg van lanceerplaatsen voor met gifgasgeladen V1-bommen.
De bedoeling was om de geallieerde invasie al tijdens de opbouw in Zuid-Engeland te stoppen. Op Alderney dwingen de Duitsers de chronisch ondervoede krijgsgevangenen tot onbarmhartig hard werken, tot ze er dood bij neer vallen.
In mijn jeugd vertelt mijn moeder het verhaal over hoe zij met gevaar voor eigen leven bij kamp Vught brood smokkelt om de ondervoede krijgsgevangenen daar te steunen. Deze gedachten brengen mij via mijmeringen tot een geloofwaardig plot.
Eenmaal thuis van mijn Alderney-reis en met veel eigen onderzoek en speurwerk heb ik een en ander kunnen samenbrengen tot de roman Dagboek van Verloren Liefde. Elk detail is traceerbaar en historisch correct. Alleen enkele hoofdpersonen en hun verhalen zijn fictief.

Je boek Zeilen is voor watjes beschrijft het ‘ernaar toegroeien’, het proces waarbij mensen steeds verder hun grenzen verleggen. Geldt dat ook voor jouw ontwikkeling als schrijver en zo ja, hoe uit zich dat dan?
Zeezeiler word je niet zomaar. In een relatief klein bootje leer je, met vallen en opstaan, om te gaan met zaken als zwaar weer en ruwe zee. Aanvankelijk best spannend, maar je geniet.
Het is een continu proces van ervaringen verwerken om zo je angsten voor te blijven in telkens zwaardere omstandigheden. Niet alleen je ervaring groeit, ook het ervan kunnen genieten. Hetzelfde geldt voor het schrijven. Over de stap van reisverslagen naar mijn eerste roman Het Veenbrandscenario, heb ik best getwijfeld.
Gaandeweg ging ik steeds meer van de diverse facetten van het schrijven genieten. De verzamelde reisverhalen Zeilen is voor Watjes werd mijn tweede boek. De verslagen van mijn zeilreizen omzetten in dit boek was een veel kleinere stap, maar wel een leerzame.
Nadat ik een cursus had doorlopen over het schrijven van reisverslagen, zijn een aantal van deze reisverhalen gepubliceerd in bladen als De Waterkampioen en het maandblad Zeilen. Smeuïge anekdotes uit die reisverslagen en herinneringen verzamelen ging gemakkelijk.
Ik had inmiddels geleerd om, zonder de werkelijkheid geweld aan te doen, de verhalen enigszins te romantiseren om het boek prettig leesbaar te maken. Dat proces zette ik in mijn volgende romans verder voort, met complexere plots en meer gelaagdheid.
Je romans zijn consequent gebaseerd op historische feiten en echte locaties. Hoe verhoudt zich bij jou de research tot het daadwerkelijke schrijven? Waar begint het één en eindigt het ander?
Het is een constante afwisseling van bedenken, research en schrijven. Op basis van emoties en indrukken ontstaan in mijn hoofd allerlei gefragmenteerde verhaalgedachten.
De volgende stap is hoe dat op een prettig leesbare manier tot een compleet verhaal te verwerken. Bij voorkeur in romanvorm, want dat boeit de meeste lezers immers meer dan de geschiedkundige achtergrond.
Meestal ligt er een echt bijzondere gebeurtenis aan ten grondslag. De vulkaanuitbarsting op Martinique bijvoorbeeld, in 1902, is de basis voor mijn laatste boek, uit 2024.
Bij mijn bezoek aan het kleine vissersdorpje Saint-Pierre werd ik enorm getroffen door de geblakerde resten van deze eens mondaine welvarende hoofdstad van dit eiland.
Het ‘Parijs van de West’ werd het ‘Pompeï van de West’. Op locatie trek ik de feiten na en zoek ik uit of er bijzondere verhalen rond getuigen of slachtoffers zijn. In het voorbeeld van de vulkaanramp op Martinique kwam ik uit bij rum-destilleerderij Depaz.
Die werd rond 1915 opgezet door Victor Depaz, een nazaat van joods-sefardische immigranten. Hij was in 1902 de enige overlevende van deze familie omdat hij als veertienjarige in Europa een opleiding genoot.
De rest van het gezin kwam samen met hun werknemers op de plantage op de hellingen van de vulkaan om het leven. Victor kwam er – ver van huis, verweest en berooid – alleen voor te staan.
Als dit soort ‘werkelijkheden’ naar mijn mening de moeite van een boek waard zijn, begin ik thuis met het verifiëren van de informatie die ik tijdens mijn reis heb opgenomen.
Inmiddels krijg ik ideeën over hoe ik het verhaal vorm ga geven en welke hoofdpersonen daarin een rol kunnen spelen. Ook begin ik een plot op te stellen.
De weken die volgen gebruik ik om dat plot uit te schrijven tot een document van ongeveer twintig pagina’s. De verhaallijnen, tijdlijnen, hoofdpersonen en locaties krijgen zo een vastere vorm. Dit uitgewerkte document wordt de rode draad voor mijn roman.
Met uitgebreide research (internet, musea, bibliotheken en zo mogelijk interviews) probeer ik meer diepgang te achterhalen over allerlei betrokken partijen en personen.
Ondertussen begin ik ook met het romantische deel van het verhaal en schrijf ik bepaalde sleutelpassages al enigszins uit. Hierbij krijgen de hoofdpersonen op een bijna natuurlijke wijze karakter en uiterlijk.
Verlegen, brutaal, filosofisch, komisch, behoudend of juist vooruitstrevend. Ik leg dat karakter samen met een geboortedatum en dergelijke vast in een Excel-document, dat het plotdocument in ‘Word’ aanvult.
Hiermee wordt een verhaal consistent. Sommige karakters worden in historische bronnen goed beschreven, andere krijgen hun karakter omdat ik zelf naar hun beweegredenen zoek en hun gedragingen beoordeel.
Vaak laten de historische bronnen veel vrijheid voor eigen interpretaties, zodat een karakter interessant en herkenbaar wordt voor de lezer.
Ik hou daarbij altijd in gedachten dat eventueel speurwerk van de lezer mijn interpretaties niet zal kunnen weerleggen.

Bij Verdoemd Paradijs legde een bezoek aan de geblakerde resten van Saint-Pierre de basis. Hoe lang zit er gemiddeld tussen zo’n eerste vonk en een afgerond manuscript?
Het bezoek met mijn zeiljacht aan de restanten van Saint-Pierre vond eind januari 2010 plaats. Hoewel de indrukken me meteen een grondslag voor een roman geven, duurde het tot mijn pensionering in 2019 voor ik ertoe kwam het een en ander daadwerkelijk uit te werken.
Aanvankelijk deed ik meerdere pogingen de familie Depaz te bereiken. Victor Depaz, de persoon die model staat voor mijn hoofdpersoon en vader van elf kinderen, werd in 1964 in Parijs begraven. Van zijn nazaten heb ik geen enkele respons mogen ontvangen.
Pas vanaf 2020 kon ik het verhaal definitief vorm gaan geven. Het manuscript stuurde ik in 2022 ter beoordeling naar een aantal uitgevers. Gezien de matige belangstelling heb ik de roman in eigen beheer bij Boekscout uitgegeven. De definitieve vorm kwam in 2024 uit.
Je combineert in je boeken vaak grote historische gebeurtenissen met intieme, persoonlijke verhaallijnen. Wat is de kunst van die balans?
Ik voel een urgentie om van bepaalde indrukken het hoe en waarom beter te begrijpen en dat met een groter publiek te delen zodat het niet vergeten zal worden.
Dat gaat dan meestal om de wellicht wat saaie historische achtergrond. Een roman is een vertelvorm om een taai, theoretisch verhaal aantrekkelijk en toegankelijk te maken.
Voorwaarde is dat het romantische verhaal boeit. Het moet oprecht, realistisch en herkenbaar overkomen. Het moet aansluiten op de gevoelens en emoties van de lezer. De historie laat zich eenvoudig inpassen binnen die context.

Dagboek van verloren liefde behandelt een donker hoofdstuk uit de geschiedenis van Alderney. Hoe ga je om met het schrijven over zulke zware thema’s als dwangarbeid en ontmenselijking, zonder voyeuristisch te worden?
Ik heb er bewust voor gekozen de meest gewelddadige scenes heel gedetailleerd weer te geven. De lezer wordt er in gezogen en er is geen ontkomen aan. Dat was in mijn ogen de enige manier om de meer dan walgelijke wandaden van oorlogsmisdadigers duidelijk te maken.
Laat de lezer zelf maar oordelen. In mijn ogen mogen we dit soort beestachtige, maar helaas ook tot de mensheid behorende trekken, nooit vergeten. Toch keren ze desondanks telkens terug.
Openbaarheid in deze is het enige wat recht doet aan de slachtoffers die vaak niet eens een naam of een graf hebben. Om er geen walgelijk, lelijk oorlogsverhaal van te maken, heb ik er een hedendaags, zoet liefdesverhaal als rode draad doorheen geregen.
Zo wordt het weer leesbaar, ook voor de iets gevoeligere lezer.
In De Holtlandsage breng je de negende-eeuwse voorouders van Nederland tot leven. Wat fascineert je aan die periode, en hoe maak je personages geloofwaardig wanneer er zo weinig bronnen zijn?
De bronnen die er zijn, bestaan uit opgravingen van vage restanten van houten gebouwen, potten, potscherven en werktuigen. Doordat de drassige veenbodem van het vroeg middeleeuwse Hollands laagland heel zuurstofarm is, is er veel organisch materiaal redelijk in tact gebleven.
Zelfs tot en met de bekende veenlijken aan toe. Ik vind het enorme contrast tussen de bisschoppelijke optekening van de kerkelijke rijkdom in die tijd in die arme veengebieden en de daadwerkelijke armetierige levensstijl die de archeologische vondsten beschrijven, verbazingwekkend.
Daarvoor moet voor mij een verklaring zijn. Mijn interpretatie van die verklaring is de grondslag van deze roman.
In mijn ogen is de kennis en kunde van de in onze omgeving wonende mens vanaf de vierde eeuw enorm toegenomen. Maar ik ga ervan uit dat de intelligentie zestien eeuwen geleden nauwelijks anders zal zijn geweest dan die van nu: men was slim en pareerde met de primitieve middelen van die tijd complexe problemen.
Begrippen als tijd, maat en afstand waren nog heel primitief uitgewerkt. Het gebruik van hedendaagse termen voor waarde, tijd, afstand en vele materialen zijn voor mijn vertelling dan ook niet bruikbaar.
Als je dat begrijpt, kun je proberen in de huid van die vroege Hollanders te kruipen en er hún verhaal van maken. Hierbij moet me wel van het hart dat het best wel moeilijk was om telkens in- en uit- die huid te kruipen. Het resultaat was dat ik etmalen lang vrijwel ononderbroken doorgewerkt heb aan dit boek.
Helaas is er bij het drukken een fout gemaakt door uit te gaan van het oorspronkelijke ongecorrigeerde manuscript, terwijl de gecorrigeerde versie ongebruikt bij de uitgever is gebleven.

Blackbird is anders dan je historische romans; een hedendaags verhaal over een vrouw die solo de Atlantische Oceaan over roeit. Waarom dit verhaal, en waarom vanuit een vrouwelijk perspectief?
Op de eerste plaats Merel, de hoofdpersoon. Zij is de vereenzelviging van onverzettelijkheid. Een karaktertrek die nu eenmaal bij vrouwen sterker aanwezig is dan bij mannen. Voor mij moest de hoofdpersoon daarom een vrouw worden. Datzelfde geldt overigens ook voor Lieke in mijn roman Goudkoorts.
Nadat ik met mijn vrouw enkele weken eerder de oceaan was overgezeild, gingen we met ons zeiljacht in de baai English Harbour van Antigua voor anker. Plotseling kwam er een tweepersoons roeiboot onder luid getoeter vanaf de oceaan deze baai binnen roeien.
Het bleek een deelnemer aan de Tallisker Atlantic Chalange, een 5000 kilometer lange roeiwedstrijd dwars over de Atlantische Oceaan. Ik heb het bootje daarna van dichtbij bewonderd en kreeg veel ontzag voor de prestatie die de tweekoppige bemanning moet hebben geleverd.
Enkele jaren later ontmoette ik bij een lezing Mark Slats die deze roeiwedstrijd solo heeft geroeid en dat in een absolute recordtijd. Hij maakte erg veel indruk op me en ik begon me te verdiepen in het hoe en waarom van de deelnemers.
Mijn bewondering groeide dag na dag. Langzaam ontstond begrip voor de drijfveren en kreeg ik ontzag voor de onverzettelijkheid die je moet bezitten om zo’n tocht tot een goed einde te brengen.
De deelnemers bleken stuk voor stuk mensen met een sterk karakter en extreem veel positiviteit. Deze prachtige mensen verdienen een groter podium en meer erkenning. Het podium dat ik kan bieden is een roman, waarin ik de fictieve Merel de hoofdrol toebedeel.
Hoe ziet jouw schrijfproces eruit? Heb je een vast ritme, of werk je in vlagen wanneer de inspiratie komt?
Dat produceren van een plot van twintig pagina’s, de kern van mijn verhaal, is gewoon noeste arbeid. Het begint met de keuze van een onderwerp dat me aanspreekt.
Daar bedenk ik dan mogelijke verhaallijnen bij. Vanaf dat basisidee volgt een proces van uitwerken en varianten aanbrengen, afwegen, kiezen, weer veranderen, kloppend maken, et cetera, totdat ik een sluitend en boeiend plot heb.
Daarna volgt het uitwerken tot een manuscript. Vaak maak ik hier al een soort hoofdstukindeling. In een veel later stadium besluit ik of ik het verhaal chronologisch ga vertellen of juist niet.
De inspiratie om de rechte weg van het plot om te zetten in een aantrekkelijk kronkelend manuscript pad kun je oproepen door diep in je eigen verhaal te kruipen en daar de personages op te roepen ‘zichzelf te zijn’ en dat karakter verder te laten ontwikkelen.
Personages krijgen zo een eigen identiteit en gebeurtenissen vertalen zich naar dialogen of gedachten van die personages. De personages krijgen creativiteit en soms verrassen ze mij terwijl ik ze zelf bedacht heb. Ik vind dat een onwaarschijnlijk en enerverend proces.
Als je van een compleet plot uitgaat, kun je zelfs in willekeurige volgorde, afhankelijk van je eigen stemming een willekeurig hoofdstuk uitwerken.
Als je jezelf onderdompelt in het verhaal en er zolang mogelijk in ondergedompeld blijft, ontstaan de sterkste dialogen. Laat je niet afleiden door de buitenwereld. Een roman schrijven is vooral stug werken en uren vertimmeren. Inspiratie is maar een beperkt onderdeel van het totale proces.
Je noemt jezelf ‘gevoelsmens’ en ‘verhalenverteller’. Wat maakt voor jou het verschil tussen een technisch goed geschreven boek en een boek dat raakt?
Als verhalenverteller vind ik het belangrijk dat mijn lezers een hoge mate van herkenning beleven. Er moet een binding ontstaan tussen de lezer en de hoofdpersonen.
De lezer moet zich kunnen vereenzelvigen met situaties, de beschreven romantiek en menselijke verhoudingen. Daarmee voelen ze ook de onbeschreven zaken aan. Het maakt het geheel een realistische beleving. Ik probeer dat realisme te versterken door uit te gaan van correctheid in historie, techniek en geografie.

Veel van je verhalen gaan over mensen die doorzetten tegen de verdrukking in – van middeleeuwse Holtlanders tot de jonge Lieke in Goudkoorts. Trek je dat type personage bewust aan, of kiest het verhaal jou?
Ik hou van mensen die zich niet door de eerste de beste tegenslag uit het veld laten slaan. Mensen die vertrouwen hebben in zichzelf en hun eigen creativiteit.
Verder is het volgens mij altijd zo dat de sympathie voor een underdog groter is en meer diepgang heeft dan die voor de onoverwinnelijke held. Tegen de verdrukking in doorzetten levert een hoofdpersoon op die door de lezer in het hart gesloten wordt.
Dus ja, ik kies bewust voor die benadering. Maar ook in mijn hoofd zijn mijn personages echt zelfstandige, soms eigenwijze karakters, die op hun eigen manier hun verhaal vertellen.
Als ik in mijn hoofd diep in een passage zit, hoef ik de teksten en gedragingen van de personages niet te verzinnen, dat doen die karakters als het ware zelf.
Als je terugkijkt op je eerste boek en je meest recente werk: waarin ben je het meest gegroeid als schrijver? En wat blijft lastig?
Voor mij is duidelijk geworden dat een grote persoonlijke betrokkenheid of specifieke kennis, zoals de hobby zeezeilen, een lastige bijkomstigheid is. Je bent dan geneigd te veel in specifieke technische details te treden met als gevolg dat je de aandacht van de lezer verliest.
Ik heb gaandeweg geleerd dat je je vooral moet richten op zaken die de lezer zullen boeien en dat je die focus moet zien vast te houden. Een belangrijke les was dat verhaalonderdelen als bedreigingen, gevoelige vragen of controversiële liefdes, qua uitwerking alsmaar vooruit geschoven moeten worden.
Je moet de drang naar de oplossingen laten groeien en niet te snel bevredigen. Ook het gebruik van ‘cliffhangers’ kan de focus van de lezer vasthouden.
Tenslotte ben ik er erg kien op dat er geen losse eindjes blijven. Alle vraagstukken die in het verhaal passeren, dienen voor de laatste bladzijde keurig te zijn ‘afgehecht’.
Na het slot moet de lezer zich niet afvragen wat er bijvoorbeeld met die of die is gebeurd. Het beschreven plot-document is daarbij voor mij een belangrijke hulp.
Hoe belangrijk is feedback van anderen in jouw schrijfproces? Werk je met meelezers, een redacteur, of vertrouw je vooral op je eigen oordeel?
Zowel tijdens de ontwikkeling van het plot als bij dat van het manuscript maak ik gebruik van een aantal meelezers. Ik nodig ze uit om gefundeerd commentaar te leveren.
Dat werkt heel goed en draagt zeker bij aan een betere toegankelijkheid voor de lezers. Vooral als er taaie passages zijn ontstaan waarvan mijn meelezers durven te zeggen dat ik die moet schrappen of herschrijven.
Maar ook wijzen ze mij er op dat de lezer bepaalde zaken anders kan uitleggen dan wat ik waarschijnlijk bedoeld zal hebben. Meelezers zijn echt onontbeerlijk.
Als het manuscript tenslotte vrijwel klaar is, worstel ik het eindresultaat met een taalcoach nog eens diepgaand door om het taalkundig ook naar een behoorlijk niveau te tillen.
Wat zou je advies zijn aan iemand van jouw leeftijd die ook met een eerste boek wil beginnen, maar twijfelt of het niet ‘te laat’ is?
Schrijven is voor mij door meerdere facetten een zeer boeiende bezigheid:
1. De research leert mij een hele hoop over onderwerpen waar ik eerder nauwelijks bij stilstond. Ieder eigen boek is voor mij tijdens het ontwikkelen ervan een enorme leerschool. Dus alleen al als tijdverdrijf is schrijven een fantastische hobby. Een hobby die geen geld kost.
2. Het verdiepen in karakters en hun emoties leert je een hoop over de mensheid en over jezelf.
3. Het eindresultaat, een echt eigen boek, geeft je veel voldoening en trots.
4. Het feit dat je schrijft, geeft je altijd gesprekstof met vrienden bekenden en vreemden omdat deze hobby nu eenmaal niet alledaags is.
5. Tenslotte: je kunt iedereen die je dat gunt een zeer persoonlijk eigen cadeau geven: jouw boek!
Het is pas te laat om met schrijven te beginnen als je het idee hebt dat de toekomst achter je ligt.
Overigens wel jammer dat de gekende uitgevers van originele Nederlandstalige fictie meer heil zien in schrijvers uit een klein kringetje jonge neerlandici en schrijvers, getalenteerd of niet, die al een zekere landelijke bekendheid genieten op andere vlakken.
Een beroep als journalist of andere bekendheid is belangrijker dan een getalenteerde verteller die door zijn leeftijd uit veel levenservaring kan putten.