Mirjam Molenaar: “Ik leef in twee werelden tegelijk”
Mirjam Molenaar gaf les, werkte daarnaast jarenlang met haar handen in haar keramiekatelier, en toen kwam de omslag. Nu publiceert ze historische romans over ambachten. In dit interview vertelt ze over vakkennis omzetten in fictie en waarom de verhalen van makers verteld moeten worden.
Wat voor werk schrijf je?
Ik schrijf historische romans over ambachten; over de makers en de wereld om hen heen.
Wat trekt je zo in ambachten?
Het verhaal van een ambacht gaat bijna altijd over verbinding en samenwerking. Het gaat immers over contact tussen makers en kopers, over (internationale) handel.
Dat is iets heel anders dan de verhalen over de kopstukken van onze geschiedenis. Hun narratieven benadrukken dus juist onderlinge verschillen: wij zijn anders dan jullie, daarom leggen we een claim op dit gebied.
In de wereld van ambachten gebeurt precies het tegenovergestelde. Het zijn verhalen over wederzijds beïnvloeding en het overbruggen van verschillen. Ieder ambachtelijk product is een stille getuige van samenwerking, verbinding, materiaalkennis en passie.
Die verhalen wil ik vertellen, juist nu onze wereld in toenemende mate verscheurd lijkt te worden door polarisatie en xenofobie, want de verhalen van verbinding zijn talrijker. Geschiedenissen van ambachten zijn dus verhalen over hoop én de worsteling zich te verhouden tot de machthebbers.
Hoe ben je met schrijven begonnen?
Na de docentenopleiding en het runnen van een eigen steen- en keramiekatelier had ik bijna twintig jaar voortgezet onderwijs achter de rug. Met al dat lesgeven en organiseren had ik al langer het gevoel dat het roer om moest.
Maar, zoals het vaker gaat, wist ik niet hoe ik dat moest doen, terwijl ik ook nog kinderen had die van mij afhankelijk waren. De omslag kwam toen ik ziek werd. Ik kon gewoon niet meer. De boekenkist die ik van mijn vader geërfd had, ging open en ik begon te lezen.
Daarvoor las ik ook, maar nu was het anders. Van lezen kwam, creatief als ik ben, schrijven. Woorden werden het nieuwe materiaal dat ik moest leren kennen. Daarbij greep ik terug op hoe ik dat in het atelier altijd deed: hoe voelt dit, hoe ruikt dat, waar voel ik me prettig bij?
Geleidelijk werd duidelijk dat mijn ‘ding’ de historische roman was. Lezen en schrijven voorzag ook in een intellectuele behoefte die ik eerder niet goed kwijt kon.
Ik las en studeerde, verzamelde een halve bibliotheek, stuurde mails naar archieven en historici, vroeg hulp en zocht kritiek op. Zo ontstond langzaam De strijd van de steenhouwer. Maar toen het manuscript af was, durfde ik het niet uit te geven, haha.

Wie zat er immers op mij te wachten? Vervolgens werd ik gevraagd voor een tweede project. De makers bij de Harlinger Aardewerk en Tegelfabriek kende ik al heel lang. Het bedrijf ging een vijftigjarig jubileum tegemoet en dat wilden ze markeren.
Zij werken, nu nog steeds, met honderden jaren oude technieken. Of ik daar wat mee kon. Dat kon ik. Opnieuw begon een enorm proces van onderzoek doen, literatuur bij elkaar scharrelen, met historici praten en archieven aanschrijven.
Langzaam ontstond Het vuur van de vreemdeling. Deze keer publiceerde ik wel. De reacties waren heel positief. Na dit succes was mijn vertrouwen wel wat gegroeid.
Vervolgens pakte ik het manuscript van De strijd van de steenhouwer weer op, herschreef het en vond een uitgever die het als paperback, e-boek en luisterboek wilde uitgeven.
Tot mijn verrassing meldde het grote Stadsarchief Amsterdam me dat ze mijn werk wilden oppikken om er een educatief project omheen te maken, in het kader van Amsterdam 750. Ontzettend leuk en een geweldige kans!
Ondertussen was ik ook gevraagd mee te schrijven aan een historische film en werd ik als museumdocent binnengehaald in Amersfoort.
Als je me dit vooraf verteld had, had ik het nooit geloofd, maar nu het zover is wil ik niet meer anders. Alleen het promoten ligt me niet zo. Ik zit het liefst onder die steen, haha.
Mijn volgende roman zal met Amersfoort te maken hebben, maar dat gaat nog heel wat studie-uren kosten.
Wat zijn veelgehoorde reacties op je werk?
Mensen vinden dat ik beeldend schrijf. Dat ze het als een film voor zich zien en dat ze de materialen kunnen voelen en ruiken. Dat is heel leuk.
De strijd van de steenhouwer gaat over de wereld van steenhouwers. Wat heeft je in dat verhaal getrokken, vanuit je eigen ambacht?
Iedereen kent de Nieuwe Kerk van Amsterdam. In de toeristenboekjes vind je verhalen over stijlkenmerken en de financier, maar het gaat nooit over de steenhouwers en glazeniers.
Toch zijn dát de mensen geweest die hun hele ziel en zaligheid erin hebben gestopt. Waar kwam hun kennis vandaan? Voor een deel niet uit Nederland. Hoe zag hun leven eruit? Waar kwamen de materialen vandaan?
Niet uit Nederland, want we hebben hier geen natuursteen. Over die dingen wil ik schrijven, want ik weet hoe mooi het vak is; ik heb het zelf in Italië geleerd.

Bij Het vuur van de vreemdeling staat het plateelbakkersambacht centraal. Keramiek dus, jouw eigen vakgebied. Hoe verwerk je vakkennis in fictie zonder dat het leest als handboek?
De valkuil is dat je al die informatie gaat dumpen. Dan is het niet meer leesbaar. Ik zie het verhaal van die plateelbakkerij (Fries en Delfts blauw) als een film voor me en dat combineer ik met wat mijn handen zich herinneren.
Hoe voelt dit? Hoe ruikt dat? Welke frustraties zijn er? Wat voor dilemma’s heeft dit karakter? Dat heb ik beschreven. Ik heb dus ook dingen weggelaten, opgeofferd.
Soms was dat moeilijk, maar als mensen nóg meer willen weten, lezen ze zelf wel verder. Lezers vinden achter in mijn boeken en op mijn website een literatuurlijst en een lijst met leuke wist-je-datjes, die net te ver gaan voor het verhaal, maar wel achtergrond geven. Mensen vinden dat heel leuk.

Je schreef over een 17e-eeuwse setting met Friese plateelbakkers en daarna over 15e-eeuws Amsterdam. Andere periode én andere wereld. Wat trok je naar dat verhaal?
Zelf heb ik lang in Amsterdam gewoond. Talloze malen fietste ik langs de Nieuwe Kerk en later liep ik er met mijn kinderen. Iedereen heeft een beeld bij de Nieuwe Kerk op de Dam, maar mensen weten er over het algemeen weinig van.
Ik dacht: hoe gaaf zou het zijn om jongeren op een spannende manier meer te leren over dit iconische gebouw. Het grappige is, dat ik het boek voor Young Adult geschreven heb, maar dat het minstens zoveel door volwassenen gelezen en geluisterd wordt. Mensen zeggen nu heel anders tegen de Nieuwe Kerk aan te kijken. Het voorziet dus in een behoefte.
Het Stadsarchief Amsterdam bouwde een educatief project rond De strijd van de steenhouwer. Wat doet zoiets met hoe je naar je eigen werk kijkt?
Dat was inderdaad ontzettend leuk! Ik had het totaal niet verwacht, maar het gebeurde gewoon. Zo’n grote partij die je werk oppikt helpt ook bij andere dingen.
Het organiseren van een boekpresentatie bij Scheltema op de Dam was zo ineens een stuk makkelijker en mijn werk verscheen in de top twaalf van Het Parool.
Er staat een mooie quote van een enthousiaste hoogleraar op de tweede druk. Dan wordt zo’n boek ver buiten je eigen kring getrokken. Leerlingen lezen het nu voor hun lijst. Ik denk dat ik toen pas ben gaan zien hoe waardevol mijn werk is.
Best apart. Dat ik het zelf ontzettend leuk vind om te doen, betekent immers nog niet dat het voor een ander ook waarde heeft. Nu durf ik geleidelijk aan wel wat meer.
In Het vuur van de vreemdeling lopen verhalen van drie jonge mannen en een aantal sterke vrouwen door elkaar. Hoe houd je tijdens het schrijven hun stemmen uit elkaar?
Haha, oké, dit gaat heel raar klinken, maar ik praat met ze in mijn hoofd. Die karakters zijn er voor mij bijna fysiek. Ik leef eigenlijk in twee werelden tegelijk: de echte en de fictieve.
Een karakter moet authentiek zijn; het ontwikkelt zichzelf ook vaak, als je goed luistert en logisch nadenkt. Denkend vanuit de karakters kwam ik soms ook op vragen die me verder hielpen in het historisch onderzoek.
Dan lees je niet alleen vanuit het aanbod van historisch materiaal, maar zoek je ook vanuit wat-moet-dit-karakter-tegengekomen-zijn.

Hoe schrijf je dialogen die 17e- of 15e-eeuws aanvoelen, zonder dat het onleesbaar wordt?
Dialogen schrijf ik in de taal van vandaag, niet in het Middelnederlands. Dat zou niemand kunnen volgen. Maar ik gebruik wel een aantal sleutelbegrippen die de sfeer neerzetten. De betekenis wordt dan in het verhaal duidelijk. Dan krijg je als lezer toch gevoel voor die tijd.
Wat vind je moeilijker: het historisch onderzoek doen, of er een verhaal omheen verzinnen dat klopt?
Die twee dingen gaan meestal hand in hand. De fictieve karakters die ik neerzet, moeten in enige vorm echt bestaan hebben. Anders raakt zo’n verhaal losgezongen van de werkelijkheid. Dat wil ik niet.
Zo’n Sytze bijvoorbeeld is er geweest. Dat weet ik zeker. Hij is alleen niet gedocumenteerd, maar dat is geen reden om zijn verhaal niet te vertellen. En dat geldt voor veel makers.
De producten die ze maakten vind je in allerlei boeken terug, maar de namen van de makers niet of nauwelijks. Waar begin je dan? Dan moet je zo’n karakter dus afleiden uit de context waarvan je wél dingen weet. Ik verdiep me tot in detail in die context. Ergens bereik je dan een punt waarop het voelbaar wordt. Dat is het vertrekpunt voor een karakter. In die zin zijn ze echt.
Werk je veel met een redacteur, of is een tekst grotendeels af voor je hem instuurt?
De tekst schrijf ik alleen, onder mijn eigen steen. Heerlijk! Maar ik realiseer me heel goed dat ik andere mensen nodig heb; dat contact, die kritiek mijn werk beter maakt.
Die informatie en kritiek zoek ik dus op. Zo werken er aan ieder project historici, archieven, ambachtsmensen en proeflezers mee. Al hun commentaar weeg ik nauwkeurig en verwerk ik.
Wanneer weet je: dit boek is af?
Ja, dat is de hamvraag. Meestal leg ik het een tijdje weg. Daarna pas ik dan nog wat dingen aan. Op een gegeven moment merk je dat je eigenlijk alleen nog maar met minuscule en eigenlijk irrelevante details bezig bent. Dat is het moment om het bij een redacteur op het bureau te leggen.
Heeft een personage je verrast tijdens het schrijven, iemand die anders ‘uitpakte’ dan je dacht?
Ja, de hoofdpersonen in beide werken hebben een behoorlijke ontwikkeling doorgemaakt. Zoiets bedenk je niet allemaal van tevoren. Dat ontstaat al schrijvend. Sytze is bijvoorbeeld doopsgezind, net als toen zeventig procent van West-Terschelling. Dat betekent dat hij pacifist was in een tijd van oorlog. Hoe werkte dit voor doopsgezinden?
Thomas vindt een antwoord op de gevaarlijke worsteling met zijn geaardheid. Dit karakter is eigenlijk een hommage aan alle leerlingen die ik in de loop van mijn leven als docent heb zien worstelen met hun identiteit, zeker als ze in een context van geloof opgroeiden.
Mare ontdekt wat ze, ondanks allerlei tegenwerking, wil worden en doet dat uiteindelijk ook. Voor jonge meiden is zij een inspirerend karakter.
Wat heeft het schrijven over die ambachten je over je eigen werk geleerd?
Door te schrijven over ambachten ben ik erachter gekomen waarom het me vroeger intuïtief al fascineerde. Ik kon het als twintigjarige nog niet precies vatten, maar het zat er toen al in. Ik ben nu de vijftig voorbij en nu zie ik dat.
Van de passie van het zelf maken ben ik gegaan naar het bestuderen van al die andere makerslevens én naar het prachtige, connectieve verhaal dat die levens vertellen.
Hun verhaal is belangrijk in de ingewikkelde wereld van vandaag. Daarom wil ik blijven schrijven. Zelf hoef ik beslist niet in de spotlights, maar de verhalen moeten verteld worden.
Meer info: mirjammolenaar.nl.
Wie haar wil volgen, kan zich via de website (mirjammolenaar.nl/contact/) aanmelden voor een berichtje als er een nieuw boek uitkomt. Ook kun je haar volgen op de socials.
Ook passie voor schrijven?
Jij schrijft elk woord, ViaScripta coacht je naar betere teksten.
Dag en nacht.
Zeven dagen gratis, geen credit card nodig.