Hotske Postma: “Schrijven bracht me op wegen die ik niet zag aankomen”

Hotske Postma auteur portretfoto
Hotske Postma auteur portretfoto

Ze schreef levensboeken voor anderen, tot het intense luisteren haar te dicht bij haar burn-out bracht. Toen stopte ze. Na twintig jaar als predikant verlegde Hotske Postma haar vertellen van de kansel naar het papier, waar ze schrijft over gewone levens, haar eigen leven inbegrepen.

Na twintig jaar als predikant kwam je met een zware burn-out thuis te zitten. Je greep dat moment aan om te gaan schrijven. In een interview met De Krant noemde je jezelf ’ten diepste een verteller’. Is schrijven nu je manier van vertellen? En waarom?

Dat klopt. In wezen is het schrijven een nieuwe manier van vertellen voor mij. Als predikant beoefende ik voornamelijk een verbale manier van vertellen; in preken en als spreker bij andere gelegenheden. Toen had ik al gemerkt dat ik het fijn vind (én spannend) om een verhaal te vertellen dat mensen raakt.

Mijn ervaring is dat er dan een soort van mooie chemie tot stand kan komen waarbij luisteraar en verteller ‘samen optrekken’. Hoewel ik mijn verhaal toen natuurlijk ook voorbereidde op papier, lag het accent voor mij altijd op het moment waarop ik het geschrevene los kon laten en kon gaan vertellen.

Je zou kunnen zeggen dat het accent nu verlegd is, want nu ik niet meer actief ben als predikant heb ik alleen nog het schrijven op papier. En nu ik van tevoren weet dat er geen ‘live’ presentatie komt, besteed ik daar ook meer aandacht aan.

Ik weet dat het geschrevene het eindproduct is, dus leg ik daar mijn creativiteit en bezieling in. Eigenlijk was ik verrast dat het ook op papier lukte om een verhaal neer te zetten dat mensen raakt en aan het denken zet.

En de verhalen zelf? Die komen vanzelf naar mij toe. Met name in levensverhalen van mensen; daarin ervaar ik de diepte van het menselijk bestaan. En die verhalen wil ik graag verder de wereld in brengen.

In datzelfde interview vertelde je dat je door je lange herstel een kwetsbaarder mens bent geworden, emotioneel en lichamelijk. Lees je dat terug in wat je nu schrijft?

Ja, door en na de burn-out ervaar ik mezelf meer als een kwetsbaar mens. En dat lees ik ook terug in mijn boeken. In de zin van dat die kant van mij nu meer naar voren mag komen. In mijn laatste boek Toegift, een theologische autobiografie, werd het tijdens het schrijven een belangrijk thema om juist de kwetsbare kanten van mezelf naar voren te laten komen.

In zekere zin was dat ook een stukje verwerking denk ik. Maar ook met de bedoeling om een eerlijk beeld van mezelf te geven. Pas in de therapie na mijn burn-out heb ik gezien dat ik (onbedoeld) vaak een krachtig beeld van mezelf liet zien en mijn kwetsbaarheid verborgen hield, ook voor mezelf.

Ik denk dat ik daarom er nu op gericht ben om de andere, kwetsbare, kant ook te benoemen. Ook in de levensverhalen die ik geschreven heb probeer ik mensen uit te nodigen om ook iets te vertellen over hun kwetsbare en onzekere kanten. Dat maakt een verhaal authentiek en juist vaak herkenbaar voor anderen.

Toegift boek cover auteur Hotske Postma

In Toegift kijk je kritisch terug op het geloof dat een dorpspredikant je als tiener bijbracht. Hij maakte veel indruk op je. Was dat lastig, juist omdat het je zo gevormd heeft?

Dat is een goede vraag. Ja, dat was toch wel lastig. Ik vraag me ook af of dat in die zin gelukt is in dit boek. Dat ‘kritisch terugkijken’ bedoel ik. Dit stuk van mijn leven lag al een tijdje achter mij en toen ik me er opnieuw, in het kader van dit boek, in ging verdiepen overrompelde het mij toch een beetje hóe belangrijk en ingrijpend dit gebeuren destijds voor mij is geweest.

En die ervaringen van toen heb ik zo goed mogelijk proberen te beschrijven. Misschien was er meer mogelijk geweest als ik meer tijd en aandacht (onderzoek?) aan het fenomeen ‘bekering’ had besteed. Aan de andere kant: ik heb deze ervaring van toen ‘heel’ gelaten en als zodanig ook onderzocht.

Dat is misschien niet de meest kritische manier van onderzoeken, maar daarmee heeft het zijn waarde voor mij behouden en dat voelt goed.

In je eerdere boeken schreef je over anderen, in Toegift geef je jezelf bloot. Wat was het moeilijkst aan die overstap naar over jezelf schrijven?

Dat was eigenlijk niet moeilijk. Sterker nog, ik heb het zo ervaren dat het schrijven voor en over anderen (ook) een soort voorbereiding was op het schrijven over mezelf. Alsof ik aan het oefenen was geweest en nu de stap kon nemen om over mezelf te schrijven. Ik ben daar blijkbaar naar toe gegroeid in de afgelopen jaren.

In 2015 heb ik bijvoorbeeld een boek geschreven dat was opgebouwd uit interviews met twee oud-predikanten over hun loopbaan. Een uitgever opperde toen dat het mooi zou zijn als ik mijn eigen verhaal daarin zou verweven. Maar toen schrok ik daarvoor terug; dat kan ik nooit, dacht ik. Sterker nog: dat wil ik niet eens! Ik voelde me toen nog té kwetsbaar waarschijnlijk.

En kijk eens aan: tien jaar later verschijnt er een boek met mijn eigen verhaal! Zoveel kan er dus veranderen in een periode van tien jaar.

Maar om op je vraag in te gaan: het meest lastig/moeilijk aan het schrijven over jezelf vind ik het selecteren. Wat schrijf je wel en wat niet. En in hoeverre vertel je over anderen? Over je familie bijvoorbeeld? Daar lagen wel dilemma’s. Daar heb ik ook wel mee geworsteld eerlijk gezegd.

Voor Beppe Hotske dook je in archieven en zelfs de notarisakte. Hoe haal je uit zo’n gewoon leven een verhaal?

Voor mij is ieder mensenleven een verhaal. In die zin van dat het de moeite waard is om je er in te verdiepen en voor het voetlicht te brengen. Over mijn beppe Hotske werd bijvoorbeeld vaak wat geringschattend gesproken. Ze had weinig educatie genoten en kwam uit een arm gezin.

Deze gegevens bepaalden sterk het beeld dat mensen van haar hadden. Toen ontdekte ik in een notarisakte dat ze een som geld uit de erfenis van haar grootmoeder had gekregen, maar dat dit op naam van haar man was komen te staan.

Tot 1956 waren getrouwde vrouwen in Nederland namelijk voor de wet handelingsonbekwaam en behalve het feit dat ze niet mochten werken kwamen hun geërfde bezittingen ook op naam van de echtgenoot te staan. Ik vond het belangrijk om te benoemen dat zij ook iets meebracht in dit huwelijk.

Zo kon ik toch een beetje het beeld dat mensen van haar hadden corrigeren. Ook ontdekte ik dat ze waarschijnlijk heel creatief was geweest. Voor de plaatselijke vrouwenvereniging maakte ze een record aantal gebreide en gehaakte spullen. Ook maakte ze voor verschillende gelegenheden een gedicht en vond ze het fantastisch om dat voor te dragen.

Zaken die nauwelijks aanzien gaven, maar in mijn ogen zeker de moeite waard zijn om te benoemen. En voor mij als onderzoeker ook interessant! Tijdens het schrijven van dit boek over mijn beppe ontdekte ik namelijk de complete notulen van de vrouwenvereniging van het dorp waar ik geboren ben.

En deze notulen geven een heel getrouw en historisch beeld van het leven van plattelandsvrouwen vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw tot nu. Een pareltje om te bestuderen met allemaal leuke en interessante historische feiten.

Beppe Hotske boek cover auteur Hotske Postma

Beppe Hotske draagt niet voor niets de ondertitel ‘haar leven, mijn verhaal’. Wanneer merkte je dat je jezelf er niet buiten kon houden? En waarom?

Zoals ik al schreef had ik als kind al gemerkt dat er over deze beppe vaak wat geringschattend werd gedaan en dat wilde ik onderzoeken en wellicht rechtzetten. Ik heb dat als kind waarschijnlijk pijnlijk en onrechtvaardig gevonden.

Bovendien had ik er belang bij om de persoon van beppe naar voren te halen omdat ik zo ook dichter bij mijn vader hoopte te komen. Hij was erg afstandelijk en ik kreeg moeilijk persoonlijk contact met hem dus met het levensverhaal van beppe hoopte ik ook dichter bij zijn oorsprong te komen; hoe hij is opgevoed en hoe zijn kindertijd was geweest.

In die zin speelde mijn eigen belang/interesse vanaf het begin mee. Ik heb dit ook zo benoemd in het boek. Mijn vertelstem met eigen vragen is als zodanig aanwezig in het boek. In die zin was het ook ‘mijn verhaal’ en niet een objectieve biografie.

Je schrijft over echte levens, niet over verzonnen personages. Wat trekt je daarin?

Ja, echte levens. Dat staat dichtbij me. En daarin ervaar ik ook iets van een drijfveer: dat het belangrijk is om wat mensen beweegt in kaart te brengen. En dat ieder mens er mag zijn. Zoiets. Als predikant was ik natuurlijk ook actief betrokken bij levens van mensen: in hoogte en dieptepunten.

In die zin is deze belangstelling en gerichtheid geprofessionaliseerd in mijn werk. Ik denk ook wel eens dat deze drijfveer te maken heeft met het kind dat ik was; een kind dat alles zelf maar een beetje moest uitzoeken en weinig begeleiding kreeg.

Vandaar de gerichtheid op mensen om me heen die ik probeer te doorgronden en te begrijpen.

Ik ben ook wel benieuwd hoe het nu verder gaat met mijn schrijven. Er is nog geen nieuw project en misschien sta ik er wel voor open om iets nieuws te proberen.

Tot nu toe heb ik nog nooit overwogen om een fictief personage te beschrijven. Dat vereist wellicht een andere creativiteit en verbeeldingskracht die ik niet zo direct voor handen heb. Misschien zou dat een echte uitdaging zijn, wie weet.

Maar tot nu toe heb ik mij in eerste instantie ervaren als een verteller, maar ook als een onderzoeker die graag verborgen of vergeten geschiedenissen naar voren brengt. Daar beleef ik plezier aan en voldoening.

Je was jarenlang gewend aan het gesproken woord. Op papier moeten je woorden het alleen doen, zonder stem of gebaar. Wat moest je daarvoor afleren of aanleren?

Die overstap was lastig voor mij. Ik ben een ‘natuurlijk’ spreker, het gaat me gemakkelijk af. Je krijgt als spreker ook direct respons en als predikant vaak direct waardering. Dat is bijna verslavend, dat geeft een kick.

Als je gaat schrijven weet je niet of anderen het de moeite waard vinden om te lezen, je moet een eigen pad volgen en dat volhouden en uitwerken. Bij het schrijven heb ik trouwens wel steeds mensen opgezocht die met me meedachten, dat was fijn.

Maar als schrijver ben je toch primair op jezelf teruggeworpen en moet je zelf ‘het lijntje’ vasthouden. Omdat ik schrijfprojecten heb gedaan waarin ik écht geloofde is me dat steeds goed gelukt. Maar ik merk dat ik het lastig vind om echt in ‘het schrijven’ te investeren. Ik heb het idee dat het bijvoorbeeld nuttig zou zijn om een keer een schrijfcursus te doen, om met anderen daarover te spreken en samen te werken.

Maar daar hik ik dan weer tegen aan alsof me dat teveel moeite zou kosten. Of heb ik dat er niet voor over? Misschien ben ik iemand die in wezen meer geïnteresseerd is in het uitdiepen van een onderwerp dan in het schrijven ‘an sich’.

Ik lees nu de biografie van Etty Hillesum en daarin komt naar voren dat zij graag schrijven wilde óm het schrijven. Alsof dat een doel op zich is. Die drive herken ik niet.

Als je iemands leven opschrijft, hoe zorg je dat het hun stem blijft en niet die van jou wordt?

Dat is een goede vraag. Vooral bij die eerste levensverhalen merkte ik dat het hielp als ik de stem van de verteller zo nu en dan letterlijk aan het woord liet. Alsof die persoon ook echt aan het vertellen was.

Dus niet alleen zo nu en dan een citaat van de hoofdpersoon en niet meteen een samenvatting van mij van hetgeen verteld wordt, maar de zinsopbouw en woorden die de persoon zelf graag gebruikt zoveel mogelijk intact laten. Dat werkte goed.

Bij het schrijven van de levensverhalen nam ik de gesprekken daarom ook altijd op. Daarna schreef ik ze zo letterlijk mogelijk uit. Dan blijf je, als je gaat schrijven, vanzelfsprekend in het idioom en de leefsfeer van de ander. Op een gegeven moment ontdekte ik dat dit beperkend voor mijzelf was.

Ik wilde mijn eigen stem vinden en volgen, en mijn eigen verhaal vertellen. Vandaar dat ik het pad van de levensverhalen-voor-anderen-schrijven heb verlaten. Ik kies nu zelf mijn onderwerpen.

In Bloeitijd interviewde je twee oud-collega’s die je goed kende. Is het makkelijker of juist lastiger om iemand te interviewen met wie je een verleden deelt?

Aan de ene kant is het gemakkelijk omdat je al een relatie hebt; zij stemden in met mijn verzoek omdat ze mij goed kenden en vertrouwen in mij hadden. Ik had al krediet zeg maar.

Gaandeweg het proces van interviewen en schrijven merkte ik wel dat ik een bepaald beeld van hen had wat niet altijd bleek te kloppen. Daardoor zette ik mezelf soms op het verkeerde been. Het was daardoor juist ook lastiger dan ik van tevoren had ingeschat.

Je maakte ook levensboeken voor mensen, maar stopte omdat het te dicht op je oude vak kwam. Wat kwam er bij dat luisteren te dichtbij?

In zo’n schrijfproject trek je langere tijd op met iemand en deel je in zijn of haar verhaal. Daarin groeit een zekere intimiteit en wordt je als vanzelf een soort van vertrouwenspersoon. Niets mis mee, maar voor mij bleken daar toch bepaalde valkuilen in te zitten.

Ik hoefde alleen maar goed te luisteren, door te vragen en te schrijven, maar vanuit mijn oude beroep als predikant was ik toch snel geneigd om ‘mensen te willen helpen’. Door de jarenlange therapie weet ik dat dit een oude drijfveer is, opgebouwd in mijn kinderjaren, en geprofessionaliseerd in mijn beroep als predikant.

Gevolg is dat ik (te)gevoelig ben voor openlijke of verborgen hulpvragen. Deze gevoeligheid was een belangrijk deel van de oorzaak van mijn burn-out. En de sterke nabijheid die meekomt in het schrijven van een levensboek en het intens luisteren naar de ander bleek voor mij daarom (te) gecompliceerd.

In deze nabijheid raak ik mezelf gemakkelijk ‘kwijt’ om het zo maar eens te zeggen. Vandaar dat ik besloten heb om met deze specifieke schrijf/werkvorm te stoppen.

Ook was ik er eigenlijk niet zo goed in. Door mijn eigen gevormdheid ga ik graag de diepte in, terwijl een levensboek goed gedijt bij het werken in de breedte. Dus het verkennen van een historische werkelijkheid door heel concrete vragen.

Je preekte in het Fries, en toch schrijf je je boeken in het Nederlands, met hier en daar een Fries citaat. Wat raak je daarmee kwijt, of juist niet?

Oei, nu raak je een gevoelig punt! Heb je even? Toen ik predikant in Friesland werd was één van mijn drijfveren dat ik er naar uitzag om in het Fries te preken, begrafenissen te doen et cetera. Ik dacht dat ik dat wel zou kunnen omdat het Fries mijn moedertaal (memmetaal) is, én altijd actueel was gebleven in mijn leven.

Echter merkte ik vrijwel meteen dat dat niet zo gemakkelijk ging. Aan de keukentafel wel natuurlijk, daar kon ik gewoon Fries spreken. En ook op vergaderingen. Maar juist in het schrijven én in de formele setting van een kerkdienst met allerlei theologische begrippen en kaders merkte ik grote lacunes bij mezelf.

Ik had in het Nederlands gestudeerd en al mijn professionele kennis opgedaan als predikant in een setting die Nederlands georiënteerd was. Deze wereld aan kennis en eruditie liet zich niet zo gemakkelijk vertalen naar het Friese. Ik deed vervolgens een cursus Fries schrijven, maar daar kwam de theologie niet in mee.

Gaandeweg blokkeerde ik en al met al kostte mijn goede voornemen steeds meer tijd en energie. Dat was erg teleurstellend. Sorry, een beetje lange aanloop, maar door deze ervaring weet ik dat ik niet eens een boek zou kúnnen schrijven in het Fries.

Dat vereist een professionele werkvaardigheid in deze taal die ik niet bezit. Zo heb ik lang geaarzeld met het boek over beppe Hotske omdat het voor mijn gevoel eigenlijk logisch was om dat in het Fries te schrijven. En dat ging niet lukken, dat wist ik gewoon.

Ik woon nu al weer langer in Drenthe en dus in een Nederlandstalige setting, en dat hielp om de beslissing te nemen om ook het boek over mijn Friese beppe in het Nederlands te schrijven. Maar als ik schrijf dan doet het Fries in mijn hoofd en hart altijd mee. Bij de biografie van mijn beppe vond dat uiteindelijk toch een natuurlijke bedding.

Zo heb ik veel citaten en begrippen in het Fries gebruikt. Maar ook in het boek Toegift kwam het Fries als vanzelfsprekend meedoen. Voor mij zal mijn vader nooit ‘een vader’ zijn maar altijd ‘heit’. Daarom gebruik ik deze relationele begrippen, als het relevant is, in mijn memmetaal.

Dat is een wezenlijk deel van mijn persoon. Ik weet nu dat ik op een professioneel niveau in het Nederlands geschoold en getraind ben. Dat is óók een wezenlijk deel van mijn persoon. Daarom vind ik het leuk en creatief om beide talen te gebruiken in een tekst. Dat past bij mij; zo ben ik ‘groter gegroeid’.

Je werkt vanuit gesprekken, archieven en documenten. Wanneer weet je dat je genoeg hebt en kunt gaan schrijven?

Ik ben iemand die al vrij snel gaat schrijven. Ik hoef niet alles voor me te hebben liggen om aan de gang te gaan. Ik heb een idee/een onderzoeksvraag (dat is de basis) en vandaaruit ga ik aan de slag. Het is een mengvorm van onderzoek en schrijven.

Bij al de boeken die ik heb geschreven was de chronologische tijd de ruggengraat van het verhaal dus dat is een belangrijke kapstok. Door onderzoek of ontdekkingen komen er dan weleens hoofdstukken tussendoor of kunnen ook weer delen gewist of veranderd worden.

Soms is dat lastig en echt wel even puzzelen, maar over het algemeen beleef ik dit als een organisch proces. Bij het laatste boek Toegift moest ik bij de laatste hoofdstukken vooral heel diep in mezelf kijken waar ik nú als gelovige en theoloog sta. Dat was spannend, een soort zelfonderzoek dat mij op onvermoede wegen bracht.

In die fase heb ik dus ook de predikant weer opgezocht (na 35 jaar!) die mij in mijn pubertijd had geïnspireerd. Ik wilde ervaren hoe ik nú tegenover hem zou staan. Ook ben ik in gesprek gegaan met iemand die er in geschoold is om eventuele spirituele boodschappen in je dromen te ontdekken.

Dat deed ik omdat ik tijdens het schrijven van Toegift weer veel ging dromen over de kerk en mijn predikantschap. Deze ontmoetingen hielpen mij om tot inzicht in mijn spirituele wereld van nu te komen en heb ik verwerkt in mijn boek. En zo leidt het schrijven zelf mij op nieuwe wegen en tot nieuwe inzichten. Dat is voor mij het interessante en creatieve aan schrijven.

Zo heeft ook het schriftelijk beantwoorden van deze vragen alweer dingen verhelderd en mij op ideeën gebracht.

Jij schrijft elk woord. ViaScripta coacht.

Geen AI die je tekst herschrijft, maar een coach die laat zien wat werkt en wat scherper kan.

Plak een passage en zie wat de coach aanwijst.

ViaScripta – Schrijfcoach
Tip: kies een passage die op zichzelf leesbaar is. 0 karakters
Geen account nodig.

Je tekst wordt niet gebruikt om AI-modellen te trainen. Privacyverklaring

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *