Patrick Bernauw: “Elk goed verhaal wordt gedreven door de personages”

Patrick Bernauw schrijft in de eerste plaats omdat hij zichzelf wil amuseren, en niet voor een zo groot mogelijk publiek. Hij schrijft de boeken die hij zelf graag zou lezen en geeft ze tegenwoordig zelf uit. In dit interview vertelt hij hoe schrijvers zichzelf in de weg staan, hoe personages het verhaal sturen, en waarom het verdienmodel voor schrijvers onder druk staat.
Je hebt 21 jaar schrijvers lesgegeven. Waar liepen zij het vaakst op vast?
Ik denk aan twee dingen, die zo op het eerste gezicht lijnrecht tegenover elkaar staan. Het eerste, zeker voor omvangrijker werk – zowel fictie als non-fictie – is structuur. Voor veel mensen staat schrijven gelijk aan ‘vanuit de buik schrijven’, de inspiratie van het moment volgen, ergens beginnen en gaandeweg zien waar je uitkomt.
Er zijn ongetwijfeld zeer getalenteerde auteurs voor wie dat werkt, maar ik vrees dat het er – bij nader inzien – eerder weinig zijn en dat je als beginner best voor wat meer houvast kiest. Een goed verteld verhaal wordt nu eenmaal verteld volgens de regels van de kunst, in 3 acten: opzet, ontwikkeling, afwikkeling.
En dat heeft zo zijn consequenties. Sommige schrijvers vertellen ook onbewust op die manier, maar zodra ze zich bewust worden van het mechanisme, kunnen ze dat ook beter toepassen.
Het tweede is dat ik als lezer (en begeleider) geen boodschap heb aan jouw agenda als schrijver. Ik wil niet horen wat jij als schrijver wil bereiken, ik wil horen wat je personages willen bereiken.
Elk goed verhaal wordt gedreven door de personages, en dus door hun agenda – niet die van de schrijver. Jij moet als schrijver je personages volgen, en niet omgekeerd.
Een goede 3 Acten Structuur zet ankerpunten uit; maar hoe je personages zich ontwikkelen van beginincident tot dramatisch hoogtepunt, dat moeten zij in hoge mate kunnen beslissen.
Op je site schrijf je dat je met auteurs op weg gaat naar hun tweede versie. Wat verandert er tussen de eerste en de tweede versie?
Dat hangt van auteur tot auteur af en van verhaal tot verhaal – ook weer zowel in fictie als in non-fictie. Hoe maken we hier het best mogelijke boek van qua inhoud, structuur, vorm en stijl?
Dat zijn de vier domeinen die elk verhaal bepalen. Vaak is er trouwens ook meer nodig dan één extra versie, het hangt er allemaal vanaf hoe ver de auteur al staat in het schrijfproces.
Zelf zit die met zijn neus te dicht op de hele materie, en zoals we zelf ook proefondervindelijk kunnen vaststellen, ontgaat je een heleboel als je je hand te dicht voor je neus houdt. Een redacteur of een schrijfcoach helpt je afstand te nemen van je tekst en die te gaan lezen, niet met de ogen van zijn schrijver, maar met die van een lezer.
Hij is je klankbord en gaat samen met jou op zoek naar mogelijkheden, hij verruimt je blik. Misschien moet er vooral nog gesleuteld worden aan de inhoud, zit de structuur niet helemaal goed, passen structuur en inhoud niet in de vorm waarin je schrijft – wringt het vertelperspectief, bijvoorbeeld – of is het vooral nog een stilistische kwestie. Het hangt allemaal af van die bepaalde tekst waarmee je werkt.

Wat ziet een schrijver niet in zijn eigen tekst, ook al leest hij het tien keer over?
Ook hier moet ik antwoorden: het hangt van auteur tot auteur af. En je moet er als schrijfbegeleider ook goed op letten dat je niet te veel sleutelt aan wat een schrijver net uniek maakt, om hem te laten beantwoorden aan een soort gemene deler.
En al helemaal niet om hem te laten beantwoorden aan jouw smaak. Maar iedere schrijver heeft zo zijn blinde vlekken: op stilistisch gebied (stopwoorden, al te breedvoerige uitweidingen, het onderschatten van de lezer, niet functionele herhalingen, …) en inhoudelijk of structureel durf je als schrijver wel eens voor gemakkelijkheidsoplossingen te kiezen.
Zaken waarvan hij denkt: ‘Daar kom ik wel mee weg, dat zal niemand zien.’ Jouw functie als redacteur, docent, schrijfcoach is precies die dingen wel te zien.
Elk jaar verschijnt er een jaarboek met het beste werk uit je klassen. Waar zie je aan dat iets goed genoeg is?
Dat was vroeger zo, ja. Wanneer is iets goed genoeg? Als ik het gevoel krijg: dit is de best mogelijke versie van een verhaal of een gedicht die erin zat. De unieke eigen stem van de schrijver klinkt er maximaal in door; alles is al geschreven, maar nog niet op deze manier.
Dit verhaal heeft “iets te vertellen” (het gaat ergens over), is prima gestructureerd, en het staat er allemaal in mooi Nederlands. Als je al een tijdje met een schrijver werkt, en je krijgt een tekst van hem of haar te lezen zonder dat er een naam onder staat, moet je daar zonder probleem een naam kunnen op plakken.
Wellicht is de tekst te eigenzinnig om door iedereen top bevonden te worden, maar als je denkt dat er voldoende mensen zijn die er plezier aan kunnen beleven, dan is het voor mij oké.
Ook hier weer: als docent, schrijfcoach of redacteur moet je over je eigen schaduw heen kunnen stappen, en abstractie maken van wat je zelf graag zou lezen. Ik ben zelf niet zo’n groot fantasy liefhebber, maar ik moet wel een goed fantasy verhaal herkennen.
Wanneer heeft iemand nog echt iets aan feedback, en vanaf welk punt verandert er niets meer?
Ja, daar moet ik ook zo ongeveer hetzelfde op antwoorden als bij de vorige vraag. Inhoud en structuur komen eerst; soms zitten die al in de best mogelijke vorm, soms blijkt dat niet zo te zijn.
Doorgaans is de laatste fase: stilistisch oppoetsen, tot het verhaal of het gedicht zo mooi mogelijk gaat blinken. Een goeie vuistregel: als ik bij elke wijziging moet constateren dat er geen winst meer wordt gemaakt, of dat er zelfs alleen maar sprake is van een status quo, dan blijf je er beter af.

Je schreef proza, toneel, hoorspelen en scenario’s. Wat heeft de ene vorm je geleerd over de andere?
In poëzie heeft de dichter alle vrijheid, in proza kan de schrijver zich ook nog gedragen als een almachtige Schepper, zolang hij maar de primaire regels van de vertelkunst volgt.
Dat is niet zo voor toneel, hoorspelen, of een scenario voor film of televisie. Daar moet je je verhaal volledig bedenken – of als je het al in proza geschreven hebt, volledig “herdenken” – in functie van wat ik graag “de mensen en de middelen” noem.
Wat prima werkt in een boek, zal dat niet doen op een podium – zolang je het niet compleet herdenkt in functie van dat podium. Hetzelfde geldt voor een hoorspel waarin je met auditieve middelen een personage en een wereld tot leven moet wekken.
Weet je de “ingang” te vinden waardoor je je verhaal kunt vertellen met deze specifieke mensen en middelen, dan kun je erg mooie dingen maken, maar je zult dat nooit alleen kunnen doen. Je hebt een regisseur, een dramaturg, een editor, acteurs en zo meer nodig.
Zelf hou ik er nogal van de lezer rechtstreeks aan te spreken in een boek; in een hoorspel kan je dit nog veel directer doen, en de fantasie van de luisteraar even hard prikkelen als in een boek. Een romanschrijver zorgt ervoor dat de lezer zelf de film van het hele gebeuren gaat zien in zijn hoofd.
Als hoorspelschrijver kun je zelfs zo goed als in het hoofd van de luisteraar kruipen en blijft de uitkomst hetzelfde: de luisteraar creëert de film die jij oproept mee in zijn hoofd. De mogelijkheden zijn dan onbegrensd: je kunt vliegtuigen laten neerstorten, in een onderzeeboot kruipen, noem maar op.
Op het toneel creëer je een illusie, moet je om te beginnen al uitmaken of die vierde wand er is of niet. Toneel heeft niks met de realiteit te maken, het is een spel, en alle toeschouwers weten dat – zij zijn medeplichtig. En in film wordt de verbeelding van de toeschouwer helemaal uitgeschakeld, maar ben jij als scenarist slechts een klein radertje in een grote machine.
Iedere discipline heeft zo zijn eigen mogelijkheden en onmogelijkheden. Ik heb het altijd bijzonder interessant gevonden om op zoek te gaan naar de “ingang”, waardoor ik een leesverhaal tot een luisterverhaal kon maken, of een verhaal dat geschikt was om te spelen op een podium.
Schrijf je voor film of televisiefictie, dan zul je noodzakelijkerwijze te maken krijgen met heel wat partijen die een invloed hebben op je script, en wordt het erg lastig zoniet ondoenbaar om je hoogstpersoonlijke ei te leggen.
Op je site haal je iemand aan die zegt dat je schrijven kunt leren, als je van huis uit talent hebt. Hoe kijk jij daarnaar na 21 jaar lesgeven?
Daar sta ik nog steeds achter, talent is een sine qua non. Heb je talent, dan kan een cursus of een workshop het leerproces versnellen.
Maar uiteindelijk blijft schrijven natuurlijk vooral een kwestie van trial and error, van telkens opnieuw van nul beginnen, met een blanco blad, ook al heb je al duizenden pagina’s op je teller staan.
En wil je met je schrijven ergens geraken, dan zul je ook flink wat ambitie, doorzettingsvermogen, flexibiliteit en een aanzienlijke dosis geluk nodig hebben. Het is er, sinds ik debuteerde in de jaren tachtig, allemaal wel niet makkelijker op geworden om een bestaan op te bouwen als schrijver.
Show don’t tell is zo’n beetje het bekendste schrijfadvies dat er is. Welk advies wordt volgens jou het vaakst verkeerd begrepen?
Dat het niet jij als schrijver mag zijn die het verhaal vertelt, maar je personages. Zie ook de vraag zelf!

De Rechtvaardige Rechters is sinds 1992 onafgebroken in druk. Wat heeft dat boek dat veel andere boeken na een paar jaar kwijt zijn?
Dat is een makkelijke: in Vlaanderen is de roof van het paneel de Rechtvaardige Rechters in 1934 uit de Sint-Baafskathedraal van Gent zowat onze plaatselijke variante van het Monster van Loch Ness.
Het is van zichzelf al een spannend verhaal, en het mysterie is nog steeds niet opgelost. Met elke nieuwe theorie of elke nieuwe speurtocht die de media haalt, wordt de belangstelling weer aangewakkerd, en komt dat boek ook weer in beeld.
Je publiceerde bij Davidsfonds en Manteau en geeft nu zelf uit. Wat deed een uitgeverijredacteur met je tekst dat je nu zelf moet doen? En mis je dat?
Ik mis het klankbord. Iemand die me wijst op mijn blinde vlekken en mijn illusie doorprikt dat ik “hier wel mee weg kom”. Iemand die zegt dat ik nu toch wel wat te ver ga in mijn artistieke eigenzinnigheid, en zo misschien de lezer verlies.
Maar goed, een groot probleem heb ik dat nooit gevonden. Ik heb altijd de boeken geschreven die ik zelf graag zou lezen, niet het soort boeken dat voor een zo groot mogelijk publiek is geschreven.
Ik loop gillend weg van de Dan Browns van deze wereld, die best wel weten hoe een verhaal vertellen, maar dat doen in fast food stijl en met personages die opgetrokken zijn uit bordkarton.
Als een verhaal dat ik heb geschreven “mijn” publiek weet te vinden, dat “mijn” soort boeken apprecieert, en dat publiek is niet zo groot, vind ik dat helemaal niet erg. Ik schrijf in de eerste plaats omdat ik mezelf wil amuseren.
Wat is er in die 21 jaar veranderd aan wat schrijvers nodig hebben?
Ik zou nog iets verder teruggaan, en dan kom ik uit bij uitgeverijen die nog echt in schrijverscarrières geloven en durven investeren, en in een afzetmarkt voor boeken die groot genoeg is om je toe te staan daar een professionele carrière op te bouwen.
Het “verdienmodel” van al wat je tegenwoordig kunt schrijven – proza, theater, scenario’s voor film of televisie – komt op alle fronten onder druk te staan. Boeken worden minder aangekocht door bibliotheken, liggen steeds minder lang in de winkel (en hebben het zelfs al lastig om nog in de winkel te komen) en ze dringen ook steeds minder door in de media.
Tot dertig jaar geleden kon je hoorspelen schrijven voor de grote omroepen en werd je daar prima voor betaald, nu kun je ze makkelijk zelf maken met een podcast maar moet je op zoek naar subsidie, sponsoring of je tevreden stellen met armzalige inkomsten uit het plaatsen van publiciteit.
Je hebt dan wel 5000 luisteraars voor een aflevering, maar alleen op basis van de reclamespotjes die er automatisch bij komen te staan, kun je op café hooguit een koffie bestellen.
Indertijd produceerden we onze eigen theaterstukken en speelden die tientallen keren, niet alleen in culturele centra, maar ook in scholen en bibliotheken… Dat is tegenwoordig zo goed als onmogelijk geworden.
We hebben in die jaren leenrecht verworven, en modelcontracten… maar eigenlijk staat het hele systeem onder druk. Voor schrijvers bestaat het “middenveld” dat er vroeger was – met auteurs die van elke titel wel enkele duizenden exemplaren verkochten – nu nauwelijks meer. Het zijn ofwel bestsellers, ofwel mensen die werken in de marge.

Je stapte vroeg over op ebooks, printing on demand en podcasts. Wat gebruik je bij het schrijven zelf, en waar houdt het op?
Oh, ik ben een nieuwsgierig iemand, ik hou van experimenteren, nieuwe media ook… Maar voor het schrijven zelf, nee… Met de hand lukt dat niet echt, ik was bij de eerste schrijvers die zich in de jaren tachtig een heuse tekstverwerker aanschaften (een Schneider Joyce!) en nu schrijf ik nog altijd dagelijks en rechtstreeks op de laptop.
Specifieke programma’s gebruik ik daar niet bij, al durf ik AI ook wel inschakelen voor research (altijd checken en dubbel checken!), het maken van samenvattingen of als sparring partner.
Wat ziet een AI-coach in jouw tekst?
Plak een passage van 300 tot 900 woorden en lees wat werkt, wat scherper kan en wat je als eerste aanpakt. De coach citeert je eigen zinnen en onderbouwt elke opmerking. Hij herschrijft niets.
Je tekst wordt niet gebruikt om AI-modellen te trainen. Privacyverklaring
Behoefte aan meer coaching?
Met een gratis account springt je limiet naar 20.000 karakters per analyse, en krijg je bij elke analyse drie verdiepingsknoppen, toegespitst op jouw tekst.
Andere tekstsoort proberen?
Geen creditcard nodig.