Frans van Baal: “Alles moet historisch kloppen, de rest komt uit mijn fantasie”

Frans van Baal schreef jarenlang geschiedenismethodes, maar leerde pas echt schrijven toen hij ophield met uitleggen. Voor elk van zijn vijf kleinkinderen schrijft hij nu een eigen avonturenboek. In dit interview vertelt hij hoe hij een reisverhaal bouwt vanuit een historisch voorwerp.
Je hebt jarenlang in het onderwijs gewerkt en geschiedenismethodes geschreven, zoals Bij de Tijd en Forum. Dat is schrijven om iets uit te leggen. Moest je iets afleren toen je voor het eerst een spannend verhaal ging schrijven?
Ik heb wel wat moeten afleren, namelijk ontwikkelingen in het verhaal voorzien van een extra uitleg en aan het eind van een scène een samenvatting. Veel teksten in een lesboek hebben een maximaal aantal woorden, waarin je iets gaat uitleggen. In een verhaal is dat heel anders.
De spanning en de emotie hebben ruimte nodig, soms veel en soms weinig. Hier heb ik echt moeten leren om het verhaal zichzelf te laten schrijven. En wat heel fijn is om te doen is de personen te laten spreken vanuit zichzelf, waarbij je ze gekke en grappige zinnen kunt laten zeggen.
Samenvattend heb ik moeten leren dingen los te laten en laten gebeuren wat er gebeurt. En als dan later blijkt dat het niet in het verhaal past of juist zwaarder aangezet kan worden, doe ik dat gewoon.
Je was toetsontwikkelaar en deed curriculumonderzoek voor Cito, werk dat draait om precisie en structuur. Herken je iets van die werkhouding terug in hoe je een verhaal opbouwt?
Het werk als toetsontwikkelaar en het doen van curriculumonderzoek vraagt om een strakke planning en opzet waar je al werkende weg eigenlijk niet van afwijkt.
De van tevoren bedachte structuur kan niet zomaar midden in een toets veranderen. Bij mijn manier van verhalen schrijven kan dat wel. Na een eerste idee, over hoofdpersoon, plaats, tijd en plot maak ik een opzet voor het hele verhaal waarin de verschillende hoofdstukken al vastgelegd zijn.
Maar dan, tijdens het schrijven, gebeurt er iets. Soms zomaar, zonder dat ik het van plan was, ontstaat er een scène die ik helemaal niet gepland had en die te mooi is om niet te gebruiken. Dat kan betekenen dat ik op een plaats eerder of soms ook later in het verhaal iets moet wijzigen.
Vind ik niet erg. Het hoofdstuk in Ferris en de Gouden Spiegel waarin hij erachter komt dat zijn vriend Vidal zijn vrouw en zijn kind verloren heeft en dus helemaal alleen op de wereld is, ontstond spontaan tijdens het schrijven.
Soms, tijdens een wandeling of een ritje op de racefiets, krijg ik ideeën over een subplot of een nieuwe persoon. Die voeg ik dan weer ergens in het verhaal in. Al met al werk ik met een grove planning die onderweg nog kan veranderen.
Je schrijft een groot deel van het jaar vanuit een voormalig station in een klein dorpje in de Corrèze. Doet die plek iets met je schrijven, of had het net zo goed je werkkamer in Dronten kunnen zijn?
De plek in Frankrijk doet wel iets met het schrijven. Als het lekker weer is, schrijf ik vaak in de tuin. Daar zit ik dan midden in het landschap met alle bijbehorende geuren, geluiden, planten en dieren waar Ferris ook in rondgelopen heeft.
Dat kleurt het verhaal al. In de omgeving van ons huis zijn nogal wat Gallo-Romeinse ruïnes. Daar ga ik graag naar toe om te voelen hoe het geweest moet zijn om daar te wonen en te werken. Die inspiratie kan ik dan later weer gebruiken in mijn verhaal.
De beschrijving van een Romeinse villa, een groot landgoed met arbeiders en slaven, in het boek Vuurvreter Julia heb ik een-op-een overgenomen van de Ruïne des Cars op het Plateau de Millevachaches.
Al dit soort dingen ervaar je niet als je in Dronten achter je laptop zit. Schrijven in Frankrijk is een stuk leuker dan in Nederland.

Je bent pas op latere leeftijd fictie gaan publiceren, na een loopbaan in een ander vak. Wat geeft op latere leeftijd debuteren je als verhalenverteller dat een jonge debutant misschien niet heeft?
Ik heb vijfentwintig jaar als ‘meester’ in het basisonderwijs gewerkt. In die tijd heb ik alle groepen en leeftijden voor mijn neus gehad. Eén van de leukste dingen in die tijd vond ik verhalen vertellen.
Daar heb ik eigenlijk al geleerd hoe je je publiek kunt boeien door je woordkeus, je dictie, je stemgebruik, het inlassen van pauzes en soms zelfs stukjes toevoegen die helemaal niet in het oorspronkelijke verhaal staan. Ik denk dat dat de basis geweest is voor het schrijven van verhalen.
Door op latere leeftijd te schrijven, heb ik, denk ik, wat meer levenswijsheid en ook wat meer afstand tot de hectiek van alledag. Daardoor kon ik de karakters van mijn kleinkinderen, de hoofdpersonen in mijn boeken, meer uitwerken en laten spreken. Het zijn echte mensen van vlees en bloed geworden.
Ferris en de Gouden Spiegel speelt in de wereld van Galliërs en Romeinen, met een tocht naar Lutetia en een rondreizende goudsmid, Vidal. Hoe besliste je welke historische details het verhaal in mochten en welke je wegliet, zodat het een verhaal bleef en geen geschiedenisles werd?
Op Ferris’ verzoek heb ik het verhaal laten spelen in Gallië in de Romeinse Tijd. Dat legt meteen een heleboel beperkingen op aan het verhaal en het geeft het historische kader aan.
Vanwege deze reden zit het verhaal vol Gallo-Romeinse zaken. Als het voor het verhaal of een scène nodig was om nog historische details toe te voegen, heb ik dat gedaan.
Voor de rest heb ik maar heel beperkt historische details toegevoegd. Niet te veel, want het moet geen geschiedenisboek worden. De voorwerpen die in het verhaal een belangrijke rol spelen, zijn echt bestaande historische voorwerpen.
In Ferris en de Gouden Spiegel heb ik een Romeinse spiegel in het verhaal gebracht met op de achterkant een voorstelling uit het Griekse epos Ilias. De betreffende spiegel is in Italië in een museum te bezichtigen.
In Vuurvreter Julia komt een munt voor van keizer Postumus waarin een gat geboord is. Dat voorwerp is gewoon te bezichtigen in een museum.
Aan het eind van het boek heb ik een rubriek toegevoegd met een uitleg van de historiciteit van de belangrijke zaken en voorwerpen uit het verhaal.

Het verhaal draait om een gevaarlijke reis met twee genadeloze achtervolgers op de hielen. Hoe doseer je dreiging en gevaar voor lezers van een jaar of tien, zonder het te zoetig of juist te eng te maken?
Door mijn ervaring in het basisonderwijs, het opvoeden van onze eigen kinderen en het omgaan met de kleinkinderen heb ik zo langzamerhand wel een goed idee gekregen wat wel of niet kan.
Toen het verhaal klaar was, heb ik het voorgelegd aan een aantal meelezers. Als het te zoetig of te spannend wordt, vertellen ze me dat wel. Tijdens het schrijfproces heb ik het verhaal hoofdstuk voor hoofdstuk voorgelezen aan Ferris. Dat was voor mij de beste bron om te beoordelen hoe het verhaal bij een tienjarige binnenkomt.
Eenmaal in Lutetia komt Ferris er alleen voor te staan, los van Vidal. Waarom liet je je jonge held op dat punt alleen achter?
Tijdens de tocht naar Lutetia is Ferris op de vlucht voor de twee boeven. Hij is tijdens dat stuk van de tocht onder de hoede van Vidal, die hem beschermt, het verhaal van de spiegel vertelt en hem uitdaagt te leren gooien met een boemerang.
Om pas echt op de proef gesteld te worden waarbij hij gebruikmaakt van alles wat hij onderweg geleerd heeft, moest Ferris er op zeker moment alleen voor komen staan. Het meest dramatisch is dat natuurlijk als de beide reizigers het eindpunt Lutetia al zien liggen.
Dan zie je dat Ferris boven zichzelf uitstijgt, van een bang jongetje is hij veranderd in een held: de spiegel komt helemaal heel aan in Lutetia en hij weet de boeven te vangen. Voor de lezer die zich geïdentificeerd heeft met Ferris is dit het hoogtepunt van het verhaal: hij of zij wordt daardoor samen met Ferris ook de held.
De gouden spiegel uit de titel is het voorwerp waar het hele verhaal om draait: Ferris en Vidal moeten hem bij Julia bezorgen, met twee achtervolgers op hun hielen. Hoe bouw je een plot rond zo’n object zonder dat het een trucje wordt?
Allereerst heb ik een tijd gezocht naar een historisch voorwerp dat een reden zou kunnen zijn voor Ferris om, los van zijn familie, een gevaarlijke reis door Gallië te maken.
Het moest een redelijk draagbaar en kostbaar voorwerp worden. Bij het zoeken naar kunstvoorwerpen kwam ik bij een verzameling foto’s van Etruskische en Romeinse spiegels.
Toen zag ik een spiegel met daarop het oordeel van Paris: hij moet een gouden appel geven aan de mooiste van drie godinnen, en ontketent daarmee de Trojaanse oorlog. Alle stukjes vielen op hun plaats: in de spiegel zie je je eigen gezicht, terwijl de afbeelding op de achterkant zegt dat de spiegel voor “de mooiste” bedoeld is.
Iets wat Ferris in het verhaal ook zelf bedenkt. Ik had met deze spiegel een reden om te reizen, een reden om achtervolgd te worden, en een reden om de Ilias en de Odyssee in het verhaal op te nemen.
Daardoor kun je de reis van Ferris ook lezen als een odyssee, een tocht waarin voorspoed afgewisseld wordt met tegenslag en waarin de held uiteindelijk weer thuiskomt.
De voorwerpen uit de verhalen met Julia en Jorick, respectievelijk gouden munten met de afbeelding van keizer Postumus en het welbekende gouden harnas van Hannibal, vervullen een rol met een diepere betekenis in de verhalen.

De serie De Blauwe Ezel is opgezet om elk van je vijf kleinkinderen een eigen boek te geven. Ferris was de eerste, daarna komen onder meer Julia en Airick aan de beurt. Hoe houd je het fris als het uitgangspunt telkens een kleinkind in de hoofdrol is?
Mijn kleinkinderen zijn een eindeloze bron van inspiratie, zij houden het verhaal fris. Ze zijn allemaal verschillend, ze hebben een eigen temperament en karakter.
De karakters in de boeken zijn gebaseerd op hoe zij zich aan ons voordoen en hoe zij in het leven staan. Bijvoorbeeld, Ferris kijkt de kat uit de boom, is nieuwsgierig en slaat zich dapper door tegenslagen heen.
Julia leeft het leven volop, gooit zich overal in en gaat geen avontuur uit de weg. Het verhaal Vuurvreter Julia is mede gebaseerd op het feit dat zij in het echt een brandende fakkel met haar mond gedoofd heeft.
Jorick is messcherp, een observator, heeft altijd zijn woordje klaar en kan bij het zien en voelen van onrecht ontploffen. In die zin maken zij het verhaal dat ik alleen nog maar hoef op te schrijven.
Deze karakters, gecombineerd met een historisch voorwerp, dat ook zo zijn eisen stelt aan het verhaal, leiden tot een ruwe schets voor een verhaal en een plot. Voor mij is het daarna een kwestie van de puntjes met elkaar verbinden en het verhaal schrijven.
Tijdens het schrijven controleer ik wel steeds of ik niet een kant op ga die ik in een eerder verhaal al opgegaan ben. Ook vertrouw ik op mijn meelezers die dit soort dingen er wel uit halen.
Waar sta je jezelf toe af te wijken van wat historisch klopt omwille van het verhaal, en waar trek je een streep?
Voorwerpen, situaties, handelingen et cetera die niet in een bepaalde tijd voorkwamen, kunnen absoluut niet. Voor de reizen die de hoofdpersonen in mijn verhalen maken, gebruik ik een applicatie van Stanford University waarmee je een reis door het Romeinse Rijk kunt plannen, waarin ook de reisduur gegenereerd wordt, afhankelijk van het vervoermiddel dat je kiest.
Eigenlijk een routeplanner zoals wij die kennen en gebruiken, maar dan speciaal gebouwd voor het Romeinse Rijk. Verder zoek ik regelmatig dingen op in boeken en op websites, lees wat meer over de Romeinen en zoek afbeeldingen over die tijd die ik doorspeel aan de illustrator Frits Roeleveld of gebruik als inspiratie voor het verhaal.
Daar waar ik zaken verzin die voor het verhaal nodig zijn, vraag ik me steeds af of ze zouden passen in die tijd en op die plaats. Kortom, alles moet historisch kloppen, de rest komt allemaal uit mijn fantasie.
Hoe ziet je schrijfdag eruit?
Dat is heel verschillend. Er zit niet zo veel regelmaat in. In Frankrijk ben ik vaak druk met de tuin, een enorme lap, en met werken aan ons huis. De tijd die over is, besteed ik aan schrijven.
Dat doe ik meestal ’s middags, bij mooi weer op een mooi schaduwplekje in de tuin, bij minder weer binnen aan tafel bij de houtkachel. In Dronten volg ik zo’n beetje hetzelfde patroon.
Schrijven aan de verhalen wissel ik zowel in Dronten als in Frankrijk dan af met werken aan de geschiedenismethode Forum.
Per schrijfsessie kom ik gemiddeld wel aan een duizendtal woorden, waarbij er wel een enorme spreiding in zit: soms maar enkele alinea’s en soms een heel hoofdstuk.

Wat doe je als een hoofdstuk of een scène maar niet wil komen?
Gewoon overslaan en verder gaan met het verhaal. Op twee manieren komt er een oplossing voor een haperend hoofdstuk of scène.
Soms komt het missende stukje naar boven als ik in de tuin werk of aan het schilderen ben. Soms ook als ik ’s nachts even wakker ben. En het gebeurt ook wel dat het schrijven aan een volgend stuk mij op een idee brengt waarmee ik het missende stuk kan invullen.
Vooral niet gaan worstelen dus, maar vertrouwen hebben dat het missende stukje vanzelf wel komt.
Wat ziet een AI-coach in jouw tekst?
Plak een passage van 300 tot 900 woorden en lees wat werkt, wat scherper kan en wat je als eerste aanpakt. De coach citeert je eigen zinnen en onderbouwt elke opmerking. Hij herschrijft niets.
Je tekst wordt niet gebruikt om AI-modellen te trainen. Privacyverklaring
Behoefte aan meer coaching?
Met een gratis account springt je limiet naar 20.000 karakters per analyse, en krijg je bij elke analyse drie verdiepingsknoppen, toegespitst op jouw tekst.
Andere tekstsoort proberen?
Geen creditcard nodig.