·

Olof Hooijmeijer: “Bij het redigeren keken twee politiemedewerkers mee”

Portret van Olof Hooijmeijer
Portret van Olof Hooijmeijer

Toen Olof Hooijmeijer op zijn zestiende zijn eerste politieroman schreef, wist hij niet hoe het boek zou aflopen. Inmiddels telt zijn serie Rotterdamse Zaken zeven delen en werkt hij zelf bij de politie. In dit interview vertelt hij over zijn meelezers, zijn redacteur en de fout die hij nog steeds maakt.

Bij je eerste boek lazen mensen uit verschillende lagen van de politie mee. Hoe kreeg je die zover, en wat haalden zij eruit dat jij zelf niet had gezien?

Ik was zeventien en kende het politiewereldje helemaal niet. Mijn enige beeld kwam van mijn opa, die vroeger als facilitair medewerker op een basisteam had gewerkt. Dat waren echter verhalen uit de oude doos en dus niet meer actueel.

Ik deelde mijn schrijfproces ook met mijn vrienden. Toen ik aan een oud-klasgenoot erover vertelde, gaf hij aan dat hij een politieagent kende die bereid was het manuscript te lezen. Daar was ik ontzettend blij mee, want ik besefte dat mijn kennis van de politie beperkt was.

De uitgever had daarnaast zelf ook een politieagent benaderd. Die heeft tijdens het redigeren van het boek meegelezen. Op die manier keken er uiteindelijk twee politiemedewerkers mee. Dat was ontzettend leerzaam.

Vooral de werkprocessen binnen de politie werden door hen onder de loep genomen. Soms was het daardoor nog even puzzelen om de verhaallijn intact te houden, omdat de rechercheurs in mijn verhaal alles op zich namen.

Rotterdamse Zaken 1: Een onmogelijke zaak voor rechercheur Verschoor. Foto: uitgeverij De Banier

Je maakte zeven delen bij dezelfde uitgeverij. Wat doet een redacteur bij deel 7 anders dan bij deel 1?

Toen ik binnenkwam bij de uitgever had ik echt behoefte aan sturing en begeleiding. Als puber stapte ik een wereld binnen die nieuw voor me was. Een ontzettend gave ervaring, maar tegelijkertijd ook spannend.

Het was het begin van een reis waarin ik zelf moest ontdekken wat mijn manier van schrijven was, wat mijn visie als auteur zou worden en hoe ik het schrijven een plek zou geven in mijn leven.

Dat proces heeft zijn ups en downs gekend. Naast het zoeken naar mijn weg in het schrijven, was ik ook aan het ontdekken waar ik in het leven stond op het gebied van opleiding, identiteit en toekomstvisie. Mijn boekenkast lag tijdens het schrijven van de eerste drie delen van Rotterdamse Zaken dan ook nog behoorlijk overhoop.

Dat heeft de redacteur ongetwijfeld ook gevoeld. Bij deel twee en drie stelde de redacteur nog duidelijke eisen en werd ik vooral begeleid. Ik kan niet zeggen dat er geen vertrouwen in me was, maar soms moest er wel aan me worden getrokken. Terugkijkend vind ik dat ook echt terecht.

Vanaf deel vier kreeg ik steeds meer visie op waar de serie Rotterdamse Zaken naartoe ging en ontwikkelde ik een duidelijkere eigen manier van schrijven.

Toen was ik ongeveer 22 jaar. Ik begon steeds meer in mezelf te geloven, in plaats van te denken dat ik gewoon veel geluk had gehad dat een paar verhalen van mij waren uitgegeven. Die vaste grond onder mijn voeten gaf een enorme boost aan het schrijfproces.

Rotterdamse Zaken werd een wereld waarin ik wilde investeren en waar ik trots op was. Dat moet de uitgever ook zijn opgevallen.

Bij het realiseren van deel vijf kreeg ik meer vrijheid van de uitgever. Dat kwam mede door de tijdsdruk richting de releasedatum, maar ik zag het vooral als een kans om mezelf te bewijzen.

Mij werd gevraagd om de flaptekst voor de achterkant van het boek te schrijven en een conceptschets voor de cover te maken. Beide werden vrijwel één op één overgenomen.

Sindsdien neem ik dit op me zodra ik een manuscript heb afgerond. Voor mij is dat een mooi voorbeeld van het vertrouwen dat in de loop der jaren is ontstaan tussen mij en de redacteur.

Ook door mijn beroep bij de politie laat de redacteur steeds meer los in mijn manuscripten. Ze vertrouwt erop dat de processen die ik beschrijf kloppen en dat ik weet waar ik het over heb.

Wat ook veranderd is ten opzichte van het eerste deel, is dat ik meer ben gaan staan voor mijn verhaal. Bij de eerste boeken liet ik me meer leiden door de uitgever. Nu voelt het meer als een samenwerking. We werken allebei vanuit onze eigen grond en daar ontstaat steeds weer een nieuw, prachtig boek uit.

Je was nog een tiener toen deel 1 verscheen. Wat zie je daar nu in wat je toen niet zag?

Mijn referentiekader was toen heel anders. Ik was zestien jaar toen ik dit verhaal schreef en bekeek de wereld dus ook vanuit het perspectief van een zestienjarige.

Als ik nu mijn eerste boek opensla, herken ik daarin heel duidelijk mijn belevingswereld van toen. Zo wordt een personage op vakantie gestuurd om tot rust te komen in Griekenland.

Op het politiebureau heerst zo’n sterke saamhorigheid dat er tijdens een pauze een diavoorstelling wordt georganiseerd van deze vakantie. Verderop kiezen twee leidinggevenden hun rechercheurs uit op een manier die je vroeger tijdens de gymles zou kunnen tegenkomen.

Allemaal details die vanuit mijn toenmalige belevingswereld logisch waren, maar die niet realistisch zijn in de grote mensenwereld.


Inmiddels bekijk ik mijn verhaal vanuit verschillende perspectieven. Door de ervaringen die je in de loop der jaren opdoet, leer je de wereld om je heen steeds beter kennen.

Je ontdekt dat je eigen opvoeding en referentiekader niet vanzelfsprekend het uitgangspunt zijn voor iemand die naast je op het treinstation staat en een andere afkomst heeft.

Ook door het politiewerk dat ik doe, heb ik veel verschillende leefwijzen leren kennen. Dat heeft mijn blik verbreed en ervoor gezorgd dat mijn verhaal inmiddels veel meer invalshoeken kent.

Mijn eerste boek schreef ik echt vanuit mezelf. Mijn laatste boek schrijf ik veel meer vanuit een helikopterview. Mijn eigen leefwijze is daardoor nauwelijks terug te vinden in het verhaal. Ieder personage heeft zijn eigen manier van leven, met de daarbij horende overtuigingen, normen en waarden.

Juist die verschillen maken dat ieder personage de wereld op een andere manier beleeft en dat het verhaal meerdere perspectieven kan laten zien.

Rotterdamse Zaken 2: Rechercheur Verschoor en de misdaad met een verleden. Foto: uitgeverij De Banier

Wanneer in het schrijven heb je nog echt iets aan commentaar van een ander, en vanaf welk punt verandert er niets meer?

Ik pin al heel snel de rode draad van een verhaal vast. Daar komt niets meer tussen. Ik luister daarbij sterk naar mijn gevoel. Als ik merk dat ik achter die rode draad sta, verandert er niet veel meer.

Voordat ik begin te schrijven, schrijf ik een concept voor de uitgever. Zij geven vervolgens op basis van de gehele verhaallijn wel of geen groen licht. Meestal geven ze nog wel wat aandachtspunten mee. Die neem ik altijd in gedachten mee tijdens het schrijven.

Wel laat ik me graag adviseren over de details van het verhaal gedurende het schrijfproces. Zo laat ik een vriendin meelezen en zij richt zich volledig op de verhaallijn. Ze kijkt mee naar de karakterontwikkeling en plotopbouw. Daarnaast leest mijn tante mee en zij is een kei in grammatica. Door haar wordt het manuscript een stuk schoner.

Beiden stellen soms ook kritische vragen, waardoor ik opnieuw naar een scène moet kijken. Dit gebeurt allemaal tijdens het schrijven van het boek. Het is dan ook makkelijk om veranderingen in het verhaal aan te brengen.

Wanneer het manuscript naar de uitgever gaat, is dat het moment waarop er vanuit mijn kant niets meer verandert. Dan is namelijk het moment aangebroken waarop de uitgever ook zijn identiteit in het verhaal gaat leggen.

Daarbij stelt de uitgever eveneens kritische vragen. Dit voelt altijd als een frisse wind. Het zijn meestal punten waar ik zelf nog niet over had nagedacht.

Soms gaat dit zover dat een gedeelte van het verhaal gewijzigd moet worden of dat een heel hoofdstuk verwijderd moet worden. Tot nu toe was het voldoende om mijn zienswijze aan te geven, waardoor de scènes en hoofdstukken behouden zijn gebleven.

Ik geloof in mijn verhaal en daarom sta ik er ook voor. Tegelijkertijd wil ik ook het beste voor het boek. Daarom stel ik mij open en kneedbaar op voor feedback.

Rotterdamse Zaken 3: Rechercheur Verschoor en de mysterieuze motorrijdster. Foto: uitgeverij De Banier

In 2018 zei je dat de serie sowieso vijf delen zou krijgen. Het zijn er inmiddels zeven. Hoe vast ligt een serie bij jou voordat je aan deel 1 begint?

Dat ligt totaal niet vast. Ik weet nog heel goed dat ik toen een idee had voor vijf delen in de serie Rotterdamse Zaken. Dat was gebaseerd op de verhaallijn van deel 1. Zoals ik al eerder benoemde, begon bij deel 2 de reis en ontwikkeling als auteur. Ineens hadden mensen verwachtingen van mij. Daardoor wilde ik ook vooruitdenken.

Ik had al heel snel een idee waar het met Rotterdamse Zaken naartoe ging in de eerste vijf delen. Deel 5 is dan ook een soort afsluiting, maar tegelijkertijd ook een start van een nieuw tijdperk binnen Rotterdamse Zaken.

Nu ben ik bezig om deel 9 en 10 te bedenken. Ik daag mezelf hierin uit om deze nog epischer te maken dan de afsluiting in deel 5.

Naast Rotterdamse Zaken ben ik ook nieuwe verhalen aan het bedenken. Hoe ik die vorm ga geven, daarvoor heb ik nog geen concreet plan. Aangezien ik fan ben van cliffhangers en plottwists, is een serie voor mij een uitstekend middel om deze elementen te verwerken.

Meestal denk ik dan ook op het niveau van een serie. Ik bedenk hoeveel delen er in een boekenreeks komen, hoe ik elk deel eindig en welke ontwikkelingen de personages doormaken.

Dus het staat wel vast óf het een serie wordt, maar hoeveel delen het worden, laat ik los. Bij Rotterdamse Zaken heb ik ervaren dat ik er na deel 5 echt nog niet klaar mee was.

Er is nog zoveel om over te schrijven in deze serie, zonder de serie uit te melken. Zolang ik er zelf van geniet om in de serie te schrijven, zal ik dat ook blijven doen. Dat is mijn uitgangspunt.

Je zei ooit dat de personen in je boeken geen kopietjes van jou mogen zijn. Hoe bouw je iemand op die je zelf niet bent?

Tijdens de conceptfase inventariseer ik hoeveel personages er in het boek voorkomen en wat hun toevoeging aan het verhaal is. Vanuit dat doel ga ik bedenken hoe zo’n personage eruit kan zien. Ik probeer zoveel mogelijk variatie aan te brengen in zowel uiterlijk als innerlijk.

Ik stel mezelf allerlei vragen om een personage beter te leren kennen. Heeft hij of zij bijvoorbeeld kinderen? En wat voor invloed heeft dat op het personage? Wat zien de rechercheurs daarvan terug op de werkvloer? Op die manier ontstaat er een sfeer rondom het personage dat hem of haar origineel maakt.

De personages in mijn boeken zijn geen kopieën van mijzelf, maar sommige mensen uit mijn omgeving melden zich vrijwillig aan om deel uit te maken van mijn boeken. Zo heb ik in deel 7 een ICT’er verwerkt met wie ik een goede band had op het vorige basisteam waar ik werkte.

Dat schrijft erg leuk en is ook wat gemakkelijker. Eigenlijk bestaat het personage al en hoeft het alleen nog maar op papier te worden gezet.

Het leukste hieraan vind ik dat ik mezelf bij een bestaand persoon dezelfde vraag stel als bij een niet-bestaand personage: hoe zou dit personage reageren op een bepaalde situatie? Daardoor ga je beter naar die persoon kijken die je in het boek verwerkt.

Uiteindelijk vinden mensen het vaak ook erg leuk om zichzelf terug te lezen en op die manier vereeuwigd te worden in een verhaal.

Rotterdamse Zaken 4: Rechercheur Verschoor en de raadselachtige vriendengroep. Foto: uitgeverij De Banier

Welke fout maak je zelf steeds opnieuw, ook nu nog?

Een nieuw verhaal bedenken vind ik echt heerlijk. Dat vind ik nog leuker dan het schrijven zelf. Ik ben een beelddenker en zie het verhaal als een film voor me. Dit zorgt ervoor dat ik, wanneer ik met een boek bezig ben, alweer aan het wegdromen ben over een nieuw verhaal.

Daardoor ben ik soms enthousiaster over het nieuwe verhaal dan over het verhaal waar ik op dat moment mee bezig ben. Ik betrap mezelf hier telkens weer op.

Rotterdamse Zaken 5: Rechercheur Verschoor en de jacht op The Housekeeper. Foto: uitgeverij De Banier

Over je laatste deel schreef een recensent dat het vlot leest en vaart heeft. Waar zit die vaart hem in?

Concreet zit dat in de opbouw van de hoofdstukken. Ik ben een fan van plottwists en cliffhangers en pas die soms iets te graag toe. Hierdoor ben ik geneigd om ieder hoofdstuk met een kleine cliffhanger te eindigen, waardoor de lezer direct wil doorlezen.

Inmiddels heb ik daarin wel meer structuur gevonden en bouw ik ook wat scènes in om even op de rem te trappen. Dit zijn scènes die er zeker toe doen, maar wat minder spannend zijn en minder overladen met nieuwe informatie.

Hierdoor kan de lezer wat meer in de ruststand komen, terwijl het verhaal wel doorgaat. Op die manier blijft de vaart er alsnog in.

Je noemde ooit Baantjer als inspiratie. Schrijf je nog steeds voor de lezer die je toen zelf was, of is dat veranderd?

Ja, eigenlijk schrijf ik de serie die ik vroeger zelf graag in de boekhandel had willen vinden. Een spannende detectiveserie waarin in elk boek een zaak wordt behandeld, met een doorlopende rode lijn die uiteindelijk uitmondt in een epische ontknoping.

Ik herken deze opbouw ook in Flikken Maastricht en toevallig keek ik daar vroeger veel naar. De boeken van Baantjer en de tv-serie Flikken Maastricht waren dan ook inspiratiebronnen toen ik aan deel 1 begon.

Sinds deel 4 ben ik daar echter echt van afgestapt, omdat ik mijn eigen schrijfstijl, visie en personages steeds sterker aan het ontwikkelen was. Daarbij wilde ik iets origineels neerzetten.

Als ik nu inspiratie nodig heb, duik ik liever in een informatief artikel of een documentaire. Daarmee trigger ik mezelf met betrouwbare informatie en kan ik vervolgens in mijn hoofd aan de slag met wat ik heb gelezen of gezien. Op die manier blijf ik dicht bij mezelf.

Rotterdamse Zaken 6: Rechercheur Verschoor en een sluimerend trauma. Foto: uitgeverij De Banier

Stel je begint aan iets nieuws, buiten de serie om. Wat pak je dan anders aan dan bij deel 1, en waarom?

Wat ik in deel 1 niet heb gedaan, is een concept schrijven waarin ik vastlegde wat ik precies met het verhaal wilde. Ik wist niet eens hoe het zou eindigen. Hierdoor verraste ik mezelf soms, maar tegelijkertijd gaf het verhaal me ook geen duidelijke richting.

Dat lees ik dan ook terug in deel 1. Er gebeuren soms random dingen die totaal geen nut hebben voor het verhaal. Dat vind ik zonde.

Daarom zal ik altijd een concept schrijven als ik aan iets compleet nieuws begin. Al is het niet voor de uitgever, dan is het wel voor mezelf. Het helder hebben van een verhaallijn heeft voor mij echt voordelen.

Zo heb ik deel 6 bijvoorbeeld niet in chronologische volgorde geschreven. De ene week schreef ik hoofdstuk 12 en de week erop hoofdstuk 3. Dit was mogelijk omdat ik het verhaal helder voor ogen had.

De reden dat ik het boek door elkaar schreef, had te maken met de vibe die ik op dat moment ervaarde. De ene week had ik zin om een actievolle scène op papier te zetten en de andere week was dat een emotioneel gesprek tussen twee geliefden.

Op die manier kon ik schrijven waar ik op dat moment energie voor had, zonder de rode draad van het verhaal uit het oog te verliezen.

Rotterdamse Zaken 7: De vermissing van het vergeten kind. Foto: uitgeverij De Banier

Je bent gaan schrijven in een tijd waarin digitaal gereedschap er altijd al was, en AI is er inmiddels bij gekomen. Wat gebruik jij wel en wat niet?

AI is er inderdaad bijgekomen en wordt om me heen veel gebruikt. Zelf blijf ik weg bij AI in het creatieve proces. Dit moet vanuit mezelf komen. Als ik hier AI voor zou gebruiken, doe ik mezelf tekort.

De uitgever heeft bij de eerste delen iets in mij gezien als schrijver. Dat getuigt van een talent dat ik niet wil vervangen door AI.

Alle verhaallijnen, personages, scènes et cetera heb ik bedacht zonder AI. Dat zal ik ook in de toekomst blijven doen. Creativiteit is naar mijn mening iets wat uniek is aan de mens en daar zal ik dan ook voor staan.

Dat betekent niet dat ik AI helemaal niet gebruik. Grammaticaal ben ik niet sterk en daarom laat ik mijn teksten soms nakijken door AI. Daarin heb ik ervaren dat AI een mooi middel is om snel en efficiënt in te zetten om een tekst netjes af te leveren.

Ik zeg daarbij wel dat ik mijn verhaal niet door AI laat nakijken. Het gaat vooral om teksten buiten een boek om, bijvoorbeeld voor dit interview.

Naast AI ervaar ik veel gemak van de digitale hulpmiddelen die er tegenwoordig zijn. Zo kan ik met Google Maps een omgeving waarin een scène zich afspeelt goed bekijken. Hierdoor kan ik die omgeving goed beschrijven zonder er daadwerkelijk te zijn geweest.

Documentaires zijn ook een favoriet middel van mij om kennis op te doen. Voor deel 8 ben ik nu bijvoorbeeld een documentaireserie aan het kijken om meer gevoel en kennis op te doen over het onderwerp. Ik hoop dat dit uiteindelijk terug te lezen is in mijn boeken.

Wat ziet een AI-coach in jouw tekst?

Plak een passage van 300 tot 900 woorden en lees wat werkt, wat scherper kan en wat je als eerste aanpakt. De coach citeert je eigen zinnen en onderbouwt elke opmerking. Hij herschrijft niets.

ViaScripta – AI-schrijfcoach
Tip: kies een passage die op zichzelf leesbaar is. 0 woorden
Gratis en zonder account. Eén proef, dus kies je passage met zorg.

Je tekst wordt niet gebruikt om AI-modellen te trainen. Privacyverklaring

Eén reactie

  1. Prachtig interview. Leest prettig.
    Ik heb de hele serie. Leest geweldig, heerlijk verhaal.
    Kijk nu al uit naar het volgende deel.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *